Ontwikkeling & psychopathologie college 1
Weisfelt over pathologie: pathologie is in de wortel weinig anders dan een wanhopige reactie op een
onthechte situatie. Pathologisch gedrag kan echter zeer hinderlijk en beschadigend zijn.
Nicolai: hechtingservaren zijn niet allen herinneringen maar ook mentale representaties (onbewuste
beelden of anderen betrouwbaar zijn/ helpen of niet) dit werkt door hoe mensen zich opstellen naar
andere mensen, taken en jezelf. Deze innerlijke representaties zijn laatste tijd veel onderzocht (effect
binnenwereld op gevoelswereld/emotierugulatie en controle hierover). Dan blijkt dat vrijwel alle
patiënten met stemmings-, persoonlijkheids- en angststoornissen onveilig gehecht zijn.
Gehechtheidssysteem: Om de soort te helpen te overleven. Jonge kinderen hebben verzorging nodig
(voeding, veiligheid, liefde etc.) Gehechtheid wordt geactiveerd bij gevaar, je bent aangewezen op
iemand anders en daar zoek je naar bevestiging/vertrouwen etc. Zodra je het gevoel hebt dat iemand
voor je klaar staat kan je makkelijk de emoties reguleren. Als cliënten weten dat je er voor ze bent kan
een spannende situatie makkelijker te verdragen zijn (beschikbaarheid zijn, ook op achtergrond, is
vaak al voldoende). Verwachtingen in representaties zijn dus heel belangrijk, omdat je rustiger kan
worden en met minder stress kan nadenken wat je kan doen. Bij te veel stress is er geen ruimte voor
strategieën hoe je met iets om kan gaan. Dit gebeurt op neuronaal niveau (impliciet geheugen,
lijfkennis) als dit gebeurt, gebeurt daarna dat. Een ander systeem is exploratie, als je weet dat je
op iemand kan terugvallen dan durf je de omgeving te gaan verkennen. Je kan nieuwe ervaringen
opdoen waardoor hechtingssituaties kunnen veranderen.
De gedragingen die bij gevaar worden ingezet om nabijheid van de verzorger te bewerkstelligen is
bijv. huilen van een baby. Dit gebeurt zowel bij kinderen als volwassenen.
3 typen van gehechtheid/ gehechtheidsstylen : vaak rond 1 jaar wordt dit bepaald
- Veilig gehecht (70%): zijn in de stress en huilen, klampen zich vast aan moeder en moeder pakt ze
op en wrijft over het hoofd, zegt wat aardigs en ga maar weer spelen en dan kan het kind weer
vrij spelen zonder te veel stress/spanning, het is helemaal gekalmeerd.
- Angstig gehecht (10%): klampen zich bij hereniging angstig vast aan moeder en zijn een beetje
bozig en weren tegelijk de troost van mamma (bijv. als een moeder iets wil doen dan is het kind
nukkig, maar als moeder dan op de grond zet is het ook niet goed). Dus tegenstrijdig in hoe het
kind reageert, je kunt het nooit goed doen. Het blijft lang angstig en is sterk gericht op het
aanzetten van de emoties (angst, boosheid is behoorlijk aanwezig over activering emoties).
Het kind doet appel op de ouder maar het duurt toch lang voor het weer rustig is.
- Vermijdend gehecht (20%): ogen onaangedaan ondanks dat er een vreemde was, kijken niet echt
op als moeder binnen komt en blijven een beetje spelen met de pop. Het lijkt dat de kinderen
niet bang zijn, maar uit onderzoek blijkt dat deze kinderen net zo angstig zijn als de angstig
gehechte kinderen (o.a. stressmeting in het bloed). Deze kinderen hebben veel stress maar
trekken zichzelf terug (downplaying). Ze maken emoties klein en gaan weg bij het gevoel. Het
spelniveau ligt laag doordat ze in de binnenwereld zitten.
,- Gedesoriënteerd/onverwerkt/unresolved (12%): het kleine deel van de kinderen dat niet
binnen de 3 categorieën pasten. Dit waren de kinderen die als ware bevroren als moeder weer
terugkwam, ze gingen moeder heel erg in de gaten houden maar er ging geen appél van uit
(frozen watchfulness). Dit is erg zorgwekkend, want dan zoeken ze helemaal geen ouder, blijven
ze in zichzelf maar houden ze wel in de gaten omdat ze blijkbaar aan heel onvoorspelbaar gedrag
van de ouder gewend zijn en ze niet weten wat ze aan de ouder hebben (bijv. mishandeling,
misbruik en moeders in zware rouw waardoor ze niet aan het kind toekomen). Soms kan moeder
ook grillig/boos zijn, schreeuwen tegen het kind. Deze stijl kwam er later bij. Ouders met hoge
score op onverwerktheid van trauma op verlies hebben kinderen met gedesoriënteerde
gehechtheidsstijl.
Angstig en vermijdend gehecht zijn ongunstige hechtingsstijlen, maar hoeft niet pathologisch te zijn
(is niet automatisch een ziekte, hoeven niet gestoord te zijn of psychische problemen te hebben). De
kans is wel wat groter, omdat het kind minder snel rustig wordt. Dit maakt je later ook kwetsbaarder
voor een ontwikkelen van angstig, somberheid etc.
Relatie tussen onveiligheid en psychopathologie: verhoogde kwetsbaarheid. Je ontwikkelt niet per
se een stoornis bij onveilige gehechtheid maar je bent er vatbaarder voor. (belangrijk).
Onveilig gehechte ouders hebben vaker een onveilig gehecht kind.
Een van de factoren waarvan wordt gedacht dat het invloed heeft op de gehechtheidsrelatie is de
responsiviteit van de ouder. Is de ouder in staat om überhaupt te signaleren dat het kind zich niet zo
lekker voelt. Hiervoor moet je een bepaalde alertheid hebben, niet in je eigen wereld zitten. Dan
moet je zien dat je kind niet altijd lastig is, maar ze ook angst/spanning kunnen hebben. Als je ziet dat
een kind angstig is moet je in staat zijn om adequaat te reageren, erop inspelen. De hechtingsstijl van
de ouders is belangrijker dan responsiviteit.
Het lijkt vooral te gaan om toegang tot/grip op gehechtheidservaringen en bijbehorende emoties.
Hoe erover verteld wordt is belangrijker dan de aard van een gebeurtenis zelf. De vrije toegang tot
herinneringen wordt onderzocht door te vragen naar jeugd/concrete zaken bijv. hoe vader en moeder
voor je was. In het interview wordt er gekeken in hoeverre redenatie logisch is die aannemelijk
maken bijv. of iets veilig is. Als er weinig concrete achtergrond is (gewoon altijd..) dat is niet
kwalitatief hoe iets beschreven wordt (bijv. mijn moeder is er gewoon altijd, waarom gewoon…). Ook
wordt er gekeken in hoeverre je afstand kan hebben van de emotie die de herinneringen oproepen.
Mensen die onveilig gehecht zijn hebben dan minder afstand van emotie en gaan hier dan gelijk in
op. Deze verhalen konden ook zo omslaan alsin ene moment voelen ze zich schuldig en andere keer
zijn ze opeens heel boos (niet helemaal verwerkt, te onduidelijk/onveilig geweest om een goed
plaatje te maken om er rustig over na te denken). Deze representatie is niet alleen tot vroeger, maar
kan nog steeds later blijven voortspelen (bijv. in relatie met partner).
Klinisch heeft met een kliniek te maken.
In een veilige hechtingsrelatie ontwikkelen kinderen de mogelijkheid om te mentaliseren. Vooral
mensen met persoonlijkheidsproblematiek hebben weinig vertrouwen/veiligheid in anderen mensen.
Dan blokkeert het om je in een ander in te beelden.
Mentaliseren: vermogen om na te denken over anderen (intenties, gevoelens etc.)
,Angststoornissen: Uit het longitudinaal onderzoek van Warren uit 1997 kwam uit dat ambivalent
(angstig) gehechte kinderen en gepreoccupeerde (gedesoriënteerd) gehechte kinderen later vaker
last hebben van angststoornissen. Daarnaast zijn geslacht en internalisatie/externalisatie ook van
belang: zo komen angststoornissen vaker voor bij vrouwen die internaliseren.
Eetstoornissen:
- Anorexia: vaker gereserveerd
- Boulimia: vaker gepreoccupeerds (gedesoriënteerd)
Waar heb ik dat plaatje met welke hechtingsstijl slechtste en welke beter (die tabel)
Depressieve stoornissen:
- Rol intern/extern van belang
- Unipolair (interesseverlies, dagelijks leven wordt een opgave/ernstig: meerderheid veilig gehecht
- Groep met dysthymie (chronische vorm klinische depressie die zich kenmerkt aan gebrek van
plezier/genoegen in het leven: overwegend gepreoccupeerd (gedesoriënteerd)
Gedragsstoornissen, verslaving, narcistische en antisociale persoonlijkheidsstoornissen: meer
mannen met gereserveerde gehechtheidsstijlen.
Nivea: niet invullen voor een ander
Als je verwachtingen/ideeën van anderen niet invult heb je geen grip op situaties: We kunnen niet
leven zonder verwachtingen/intenties van een ander. Mensen met autisme vinden het moeilijk om dit
in te vullen. Het invullen voor een ander is dus een onmisbaar vermogen zeker voor sociaal werkers
omdat we dit nodig hebben in contact met anderen. Wel moet je dan hierop bewust reflecteren (op
aannames), omdat het ook anders kan zijn.
De moeder van het kind is een soort hulpego voor het bewustzijn van het kind om woorden te
geven aan intenties (jij vindt die klok mooi, wil je hem hebben). Het kind leert door de omweg van de
ander zichzelf kennen. Als je jezelf kent dan kan je op basis daarvan later anderen goed begrijpen. Als
je jezelf niet begrijpt kan je een ander ook niet begrijpen. Het benoemen heeft ook te maken met
empathie (aansluiten bij de ander en de ander teruggeven dat je begrijpt en aanvoelt wat er in de
ander omgaat, maar onderscheid maakt tussen het gevoel van mamma en het gevoel van het kind).
De differentiatie tussen gevoelens van een ander en die van jou zijn dus belangrijk. Dit doen mensen
door kleien overdreven toneelstukjes (bijv. een kind valt en de moeder kijkt heel verschrikt). Daarna
gaat de moeder verder uit eigen perspectief (we doen er een pleister op en we kunnen weer verder).
Gehechtingsstrategielen leiden tot bepaalde strategieën. Deze worden gemaakt door denken over
jezelf en denken over de ander. Als je positief over jezelf en de ander denkt dan ben je veilig gehecht.
, Ontwikkeling & psychopathologie college 2
Normaal: als we bang worden als er reëel gevaar dreigt. Het lichaam reageert met angstreactie bijv.
zweet, adrenaline, verhoogde hartslag. Normaal is dat je dan gaat vechten of vluchten.
Abnormaal: als we ongewoon heftig reageren of een angst langdurig blijft. Ook kan iemand angstig
zijn zonder daadwerkelijke angstprikkel. De pathologische kant van angst heeft ook te maken met
anticipatieangst (bang om bang te worden) wat leidt tot vermijdingsgedrag (bang om in bepaalde
situaties weer een angstaanval te krijgen).
DSM: een middel om te classificeren. Het beschrijft, maar verklaart niet. Het is tijdsgebonden.
Classificatie is slechts een onderdeel van diagnostiek.
Selectief mutisme: zeldzame psychische aandoening, waarbij (meestal) kinderen niet kunnen/durven
praten in bepaalde sociale situaties, maar bijv. alleen tegen een broertje ( sprake van een angststoornis).
Paniekstoornis criteria:
- Golf van angst of onbehagen
- Piekt in een paar minuten (angst loopt snel heel hoog op) hierdoor heeft het allerlei
bijverschijnselen waardoor je het idee hebt dat er iets heel erg mis is bijv. hart. Daarnaast kan je
vrees hebben gek te worden of dood te gaan.
- Angst voor nieuwe aanval/gevolgen/gedragsaanpassingen
- Wat je aandacht geeft groeit, als je bijv je hart een beetje voelt ga je erop letten en dat versterkt
de symptomen (word ook wel catastoferen genoemd, wat leidt tot paniek)
Agorafobie (pleinvrees) criteria:
- Vermijden van situaties (alleen buitenshuis zijn, vervoer, open/afgesloten ruimten, rijen of
menigten)
- Niet ontsnappen of geen hulp bij paniekklachten of machteloosheid (dit breidt zich vaak erg uit).
Paniekstoornis/agorafobie:
- Gaat over veiligheidsgedrag, je gaat andere handelingen gevaarlijk vinden
- Vaker bij vrouwen dan mannen
- Klachten vaak tussen 20-30
- Episodisch beloop (ene keer meer en vaker last van dan andere keer)
- Als hulpverlener moet je een laconieke houding innemen (snedig of gevat antwoord en men
neemt de zaken doodkalm op zich zonder zich druk te maken).
- Het beste is paniekaanval kom maar, ik weet dat ik het overleef, je komt en je gaat.
Sociale angststoornis: Minder meetbaar (geen duidelijke aanleiding). Gaat om ‘sociaal gevaar’ om:
- Zichzelf belachelijk te maken
- Kritiek/negatief oordeel van anderen te krijgen
- Niet aan eisen van anderen te voldoen
- Te blozen, trillen, transpireren
- Of specifiek (podiumvrees)
Veiligheidsgedrag heeft een negatieve invloed op dagelijks functioneren. Het heeft vaak een
episodisch beloop en start vaak in de kinderjaren. Vaker bij vrouwen dan bij mannen. Mogelijk
alcoholgebruik als secundair probleem. Onderscheid ASS (autismespectrumstoornis). Dan kan er ook
veel spanning zijn rondom sociaal contact, maar er moet dan naar de kern gekeken worden.
Weisfelt over pathologie: pathologie is in de wortel weinig anders dan een wanhopige reactie op een
onthechte situatie. Pathologisch gedrag kan echter zeer hinderlijk en beschadigend zijn.
Nicolai: hechtingservaren zijn niet allen herinneringen maar ook mentale representaties (onbewuste
beelden of anderen betrouwbaar zijn/ helpen of niet) dit werkt door hoe mensen zich opstellen naar
andere mensen, taken en jezelf. Deze innerlijke representaties zijn laatste tijd veel onderzocht (effect
binnenwereld op gevoelswereld/emotierugulatie en controle hierover). Dan blijkt dat vrijwel alle
patiënten met stemmings-, persoonlijkheids- en angststoornissen onveilig gehecht zijn.
Gehechtheidssysteem: Om de soort te helpen te overleven. Jonge kinderen hebben verzorging nodig
(voeding, veiligheid, liefde etc.) Gehechtheid wordt geactiveerd bij gevaar, je bent aangewezen op
iemand anders en daar zoek je naar bevestiging/vertrouwen etc. Zodra je het gevoel hebt dat iemand
voor je klaar staat kan je makkelijk de emoties reguleren. Als cliënten weten dat je er voor ze bent kan
een spannende situatie makkelijker te verdragen zijn (beschikbaarheid zijn, ook op achtergrond, is
vaak al voldoende). Verwachtingen in representaties zijn dus heel belangrijk, omdat je rustiger kan
worden en met minder stress kan nadenken wat je kan doen. Bij te veel stress is er geen ruimte voor
strategieën hoe je met iets om kan gaan. Dit gebeurt op neuronaal niveau (impliciet geheugen,
lijfkennis) als dit gebeurt, gebeurt daarna dat. Een ander systeem is exploratie, als je weet dat je
op iemand kan terugvallen dan durf je de omgeving te gaan verkennen. Je kan nieuwe ervaringen
opdoen waardoor hechtingssituaties kunnen veranderen.
De gedragingen die bij gevaar worden ingezet om nabijheid van de verzorger te bewerkstelligen is
bijv. huilen van een baby. Dit gebeurt zowel bij kinderen als volwassenen.
3 typen van gehechtheid/ gehechtheidsstylen : vaak rond 1 jaar wordt dit bepaald
- Veilig gehecht (70%): zijn in de stress en huilen, klampen zich vast aan moeder en moeder pakt ze
op en wrijft over het hoofd, zegt wat aardigs en ga maar weer spelen en dan kan het kind weer
vrij spelen zonder te veel stress/spanning, het is helemaal gekalmeerd.
- Angstig gehecht (10%): klampen zich bij hereniging angstig vast aan moeder en zijn een beetje
bozig en weren tegelijk de troost van mamma (bijv. als een moeder iets wil doen dan is het kind
nukkig, maar als moeder dan op de grond zet is het ook niet goed). Dus tegenstrijdig in hoe het
kind reageert, je kunt het nooit goed doen. Het blijft lang angstig en is sterk gericht op het
aanzetten van de emoties (angst, boosheid is behoorlijk aanwezig over activering emoties).
Het kind doet appel op de ouder maar het duurt toch lang voor het weer rustig is.
- Vermijdend gehecht (20%): ogen onaangedaan ondanks dat er een vreemde was, kijken niet echt
op als moeder binnen komt en blijven een beetje spelen met de pop. Het lijkt dat de kinderen
niet bang zijn, maar uit onderzoek blijkt dat deze kinderen net zo angstig zijn als de angstig
gehechte kinderen (o.a. stressmeting in het bloed). Deze kinderen hebben veel stress maar
trekken zichzelf terug (downplaying). Ze maken emoties klein en gaan weg bij het gevoel. Het
spelniveau ligt laag doordat ze in de binnenwereld zitten.
,- Gedesoriënteerd/onverwerkt/unresolved (12%): het kleine deel van de kinderen dat niet
binnen de 3 categorieën pasten. Dit waren de kinderen die als ware bevroren als moeder weer
terugkwam, ze gingen moeder heel erg in de gaten houden maar er ging geen appél van uit
(frozen watchfulness). Dit is erg zorgwekkend, want dan zoeken ze helemaal geen ouder, blijven
ze in zichzelf maar houden ze wel in de gaten omdat ze blijkbaar aan heel onvoorspelbaar gedrag
van de ouder gewend zijn en ze niet weten wat ze aan de ouder hebben (bijv. mishandeling,
misbruik en moeders in zware rouw waardoor ze niet aan het kind toekomen). Soms kan moeder
ook grillig/boos zijn, schreeuwen tegen het kind. Deze stijl kwam er later bij. Ouders met hoge
score op onverwerktheid van trauma op verlies hebben kinderen met gedesoriënteerde
gehechtheidsstijl.
Angstig en vermijdend gehecht zijn ongunstige hechtingsstijlen, maar hoeft niet pathologisch te zijn
(is niet automatisch een ziekte, hoeven niet gestoord te zijn of psychische problemen te hebben). De
kans is wel wat groter, omdat het kind minder snel rustig wordt. Dit maakt je later ook kwetsbaarder
voor een ontwikkelen van angstig, somberheid etc.
Relatie tussen onveiligheid en psychopathologie: verhoogde kwetsbaarheid. Je ontwikkelt niet per
se een stoornis bij onveilige gehechtheid maar je bent er vatbaarder voor. (belangrijk).
Onveilig gehechte ouders hebben vaker een onveilig gehecht kind.
Een van de factoren waarvan wordt gedacht dat het invloed heeft op de gehechtheidsrelatie is de
responsiviteit van de ouder. Is de ouder in staat om überhaupt te signaleren dat het kind zich niet zo
lekker voelt. Hiervoor moet je een bepaalde alertheid hebben, niet in je eigen wereld zitten. Dan
moet je zien dat je kind niet altijd lastig is, maar ze ook angst/spanning kunnen hebben. Als je ziet dat
een kind angstig is moet je in staat zijn om adequaat te reageren, erop inspelen. De hechtingsstijl van
de ouders is belangrijker dan responsiviteit.
Het lijkt vooral te gaan om toegang tot/grip op gehechtheidservaringen en bijbehorende emoties.
Hoe erover verteld wordt is belangrijker dan de aard van een gebeurtenis zelf. De vrije toegang tot
herinneringen wordt onderzocht door te vragen naar jeugd/concrete zaken bijv. hoe vader en moeder
voor je was. In het interview wordt er gekeken in hoeverre redenatie logisch is die aannemelijk
maken bijv. of iets veilig is. Als er weinig concrete achtergrond is (gewoon altijd..) dat is niet
kwalitatief hoe iets beschreven wordt (bijv. mijn moeder is er gewoon altijd, waarom gewoon…). Ook
wordt er gekeken in hoeverre je afstand kan hebben van de emotie die de herinneringen oproepen.
Mensen die onveilig gehecht zijn hebben dan minder afstand van emotie en gaan hier dan gelijk in
op. Deze verhalen konden ook zo omslaan alsin ene moment voelen ze zich schuldig en andere keer
zijn ze opeens heel boos (niet helemaal verwerkt, te onduidelijk/onveilig geweest om een goed
plaatje te maken om er rustig over na te denken). Deze representatie is niet alleen tot vroeger, maar
kan nog steeds later blijven voortspelen (bijv. in relatie met partner).
Klinisch heeft met een kliniek te maken.
In een veilige hechtingsrelatie ontwikkelen kinderen de mogelijkheid om te mentaliseren. Vooral
mensen met persoonlijkheidsproblematiek hebben weinig vertrouwen/veiligheid in anderen mensen.
Dan blokkeert het om je in een ander in te beelden.
Mentaliseren: vermogen om na te denken over anderen (intenties, gevoelens etc.)
,Angststoornissen: Uit het longitudinaal onderzoek van Warren uit 1997 kwam uit dat ambivalent
(angstig) gehechte kinderen en gepreoccupeerde (gedesoriënteerd) gehechte kinderen later vaker
last hebben van angststoornissen. Daarnaast zijn geslacht en internalisatie/externalisatie ook van
belang: zo komen angststoornissen vaker voor bij vrouwen die internaliseren.
Eetstoornissen:
- Anorexia: vaker gereserveerd
- Boulimia: vaker gepreoccupeerds (gedesoriënteerd)
Waar heb ik dat plaatje met welke hechtingsstijl slechtste en welke beter (die tabel)
Depressieve stoornissen:
- Rol intern/extern van belang
- Unipolair (interesseverlies, dagelijks leven wordt een opgave/ernstig: meerderheid veilig gehecht
- Groep met dysthymie (chronische vorm klinische depressie die zich kenmerkt aan gebrek van
plezier/genoegen in het leven: overwegend gepreoccupeerd (gedesoriënteerd)
Gedragsstoornissen, verslaving, narcistische en antisociale persoonlijkheidsstoornissen: meer
mannen met gereserveerde gehechtheidsstijlen.
Nivea: niet invullen voor een ander
Als je verwachtingen/ideeën van anderen niet invult heb je geen grip op situaties: We kunnen niet
leven zonder verwachtingen/intenties van een ander. Mensen met autisme vinden het moeilijk om dit
in te vullen. Het invullen voor een ander is dus een onmisbaar vermogen zeker voor sociaal werkers
omdat we dit nodig hebben in contact met anderen. Wel moet je dan hierop bewust reflecteren (op
aannames), omdat het ook anders kan zijn.
De moeder van het kind is een soort hulpego voor het bewustzijn van het kind om woorden te
geven aan intenties (jij vindt die klok mooi, wil je hem hebben). Het kind leert door de omweg van de
ander zichzelf kennen. Als je jezelf kent dan kan je op basis daarvan later anderen goed begrijpen. Als
je jezelf niet begrijpt kan je een ander ook niet begrijpen. Het benoemen heeft ook te maken met
empathie (aansluiten bij de ander en de ander teruggeven dat je begrijpt en aanvoelt wat er in de
ander omgaat, maar onderscheid maakt tussen het gevoel van mamma en het gevoel van het kind).
De differentiatie tussen gevoelens van een ander en die van jou zijn dus belangrijk. Dit doen mensen
door kleien overdreven toneelstukjes (bijv. een kind valt en de moeder kijkt heel verschrikt). Daarna
gaat de moeder verder uit eigen perspectief (we doen er een pleister op en we kunnen weer verder).
Gehechtingsstrategielen leiden tot bepaalde strategieën. Deze worden gemaakt door denken over
jezelf en denken over de ander. Als je positief over jezelf en de ander denkt dan ben je veilig gehecht.
, Ontwikkeling & psychopathologie college 2
Normaal: als we bang worden als er reëel gevaar dreigt. Het lichaam reageert met angstreactie bijv.
zweet, adrenaline, verhoogde hartslag. Normaal is dat je dan gaat vechten of vluchten.
Abnormaal: als we ongewoon heftig reageren of een angst langdurig blijft. Ook kan iemand angstig
zijn zonder daadwerkelijke angstprikkel. De pathologische kant van angst heeft ook te maken met
anticipatieangst (bang om bang te worden) wat leidt tot vermijdingsgedrag (bang om in bepaalde
situaties weer een angstaanval te krijgen).
DSM: een middel om te classificeren. Het beschrijft, maar verklaart niet. Het is tijdsgebonden.
Classificatie is slechts een onderdeel van diagnostiek.
Selectief mutisme: zeldzame psychische aandoening, waarbij (meestal) kinderen niet kunnen/durven
praten in bepaalde sociale situaties, maar bijv. alleen tegen een broertje ( sprake van een angststoornis).
Paniekstoornis criteria:
- Golf van angst of onbehagen
- Piekt in een paar minuten (angst loopt snel heel hoog op) hierdoor heeft het allerlei
bijverschijnselen waardoor je het idee hebt dat er iets heel erg mis is bijv. hart. Daarnaast kan je
vrees hebben gek te worden of dood te gaan.
- Angst voor nieuwe aanval/gevolgen/gedragsaanpassingen
- Wat je aandacht geeft groeit, als je bijv je hart een beetje voelt ga je erop letten en dat versterkt
de symptomen (word ook wel catastoferen genoemd, wat leidt tot paniek)
Agorafobie (pleinvrees) criteria:
- Vermijden van situaties (alleen buitenshuis zijn, vervoer, open/afgesloten ruimten, rijen of
menigten)
- Niet ontsnappen of geen hulp bij paniekklachten of machteloosheid (dit breidt zich vaak erg uit).
Paniekstoornis/agorafobie:
- Gaat over veiligheidsgedrag, je gaat andere handelingen gevaarlijk vinden
- Vaker bij vrouwen dan mannen
- Klachten vaak tussen 20-30
- Episodisch beloop (ene keer meer en vaker last van dan andere keer)
- Als hulpverlener moet je een laconieke houding innemen (snedig of gevat antwoord en men
neemt de zaken doodkalm op zich zonder zich druk te maken).
- Het beste is paniekaanval kom maar, ik weet dat ik het overleef, je komt en je gaat.
Sociale angststoornis: Minder meetbaar (geen duidelijke aanleiding). Gaat om ‘sociaal gevaar’ om:
- Zichzelf belachelijk te maken
- Kritiek/negatief oordeel van anderen te krijgen
- Niet aan eisen van anderen te voldoen
- Te blozen, trillen, transpireren
- Of specifiek (podiumvrees)
Veiligheidsgedrag heeft een negatieve invloed op dagelijks functioneren. Het heeft vaak een
episodisch beloop en start vaak in de kinderjaren. Vaker bij vrouwen dan bij mannen. Mogelijk
alcoholgebruik als secundair probleem. Onderscheid ASS (autismespectrumstoornis). Dan kan er ook
veel spanning zijn rondom sociaal contact, maar er moet dan naar de kern gekeken worden.