SAMENVATTING SYSTEMISCH DENKEN EN HANDELEN
INLEIDING
Doel:
HOOFDSTUK 1: DE ALGEMENE SYSTEEMTHEORIE OF AST: ONTSTAAN EN SITUERING
Complexiteit beschrijven
NIET:
o Oordelen/ veroordelen
o 1 juiste versie van het verhaal
o 1 juist oplossing voor het probleem
Beginvraag is steeds:
Wat kan het nog zijn?
2 VERSCHUIVINGEN IN ONS DENKEN
1. Persoonsgericht relatiegericht denken
2. Lineair causaal denken circulair causaal denken
Persoonsgericht Relatiegericht
o Focus op de persoon o Focus op de persoon in relatie met
o De persoon is zelfbepalend omgeving
o Er wordt gekeken naar het gedrag van o Systeem en context bepalen mee
de persoon o Samenhang, verbinding, betekenissen
o Aandacht voor de binnenkant o Aandacht voor de buitenkant
o “Iets is” iets staat vast voor eens o “Iets wordt” iets is steeds in
en altijd verandering/beweging
o Er is 1 waarheid o Er zijn vele waarheden
Lineair causaal denken Circulair causaal denken
o We spreken van ‘oorzaak’ en ‘gevolg’ o Verschijnselen zijn niet meer te
o We vinden gemakkelijk een verklaren vanuit een
zondebok/een schuldige eenvoudig oorzaak – gevolgprincipe
o Afwijkend gedrag is iets van die o Meerdere factoren beïnvloeden elkaar:
ene persoon alleen meerdere cirkels van beïnvloeding
Circulair causaal denken:
o A beïnvloedt B en B beïnvloedt A die onder invloed staan van C en D en E en...
o A = oorzaak, B = gevolg, B = oorzaak, A=gevolg, …
2
, o Begrippen oorzaak en gevolg worden betekenisloos
Spreken van aandeel
WAT VERSTAAN WIJ ONDER EEN SYSTEEM? – WEIJENBERG
= Het begrip systeem wijst op een eenheid, opgebouwd uit deelverhoudingen, het gaat niet
alleen om de delen op zich, ook niet om het geheel, maar
om de doelgerichte betrekkingen tussen dit alles’
HOOFDSTUK 2: KENMERKEN VAN EEN SYSTEEM
WAT IS EEN SYTEEM?
Systeem:
o Verzameling van elementen
o Dat als geheel functioneert
o Door onderlinge afhankelijkheid van de verschillende elementen
o En die voor de betrokken elementen bepaalde functies vervult.
Systeembenadering:
o Manier om naar sociale systemen te kijken.
o Deze systemen zijn heel divers, toch vinden we er wetmatigheden in terug en ook een
aantal kenmerken.
Deze wetmatigheden liggen vooral onder voorwaarde van communicatie of
interactie binnen systemen
Sociale systemen
o Een systeem van mensen is altijd een open systeem
o Staat in voortdurende wisselwerking met zijn omgeving
BELANGRIJKE TERMEN OM SYSTEMEN TE BESCHRIJVEN
2
, Subsysteem
= component van het overkoepelende systeem
Suprasysteem
= het overkoepelende systeem
Vb: ouderpaar heeft twee kinderen. Beide kinderen zijn gehuwd en hebben ook
kinderen. Suprasysteem is hier de familie, de kinderen vormen hun eigen
gezinssysteem als ze hun eigen weg gaan. Binnen elk van deze systemen is er
een subsysteem ‘ouders’ en een subsysteem ‘kinderen’
! Kenmerken gelden voor zowel subsystemen als suprasystemen
5 KENMERKEN VAN SOCIALE SYSTEMEN
1. Totaliteit/ niet-optelbaarheid
2. Interafhankelijkheid
3. Gezamenlijk doel
4. Emotionele betrokkenheid
5. Tijdselement
o Een systeem is meer dan de som van de delen
o Dus het geheel kan andere eigenschappen hebben dan de aparte elementen
2. interafhankelijkheid
1. Totaliteit of niet-optelbaarheid
o Alles hangt met alles samen
o 1 verandering is voelbaar in het hele systeem
Systeem is bepalend voor gedrag van elk
individu
Systeem "wil" blijven voortbestaan past zich
aan bij verandering
3.gezamenlijk doel
o ‘Groep mensen’ worden ‘een systeem’ wanneer ze een gezamenlijk doel nastreven.
o Doel is niet altijd uitgesproken en liggen niet definitief vast
o Iedereen vervult een eigen rol
Heeft eigen functie om het doel te bewerkstellingen “aandeel”
2
INLEIDING
Doel:
HOOFDSTUK 1: DE ALGEMENE SYSTEEMTHEORIE OF AST: ONTSTAAN EN SITUERING
Complexiteit beschrijven
NIET:
o Oordelen/ veroordelen
o 1 juiste versie van het verhaal
o 1 juist oplossing voor het probleem
Beginvraag is steeds:
Wat kan het nog zijn?
2 VERSCHUIVINGEN IN ONS DENKEN
1. Persoonsgericht relatiegericht denken
2. Lineair causaal denken circulair causaal denken
Persoonsgericht Relatiegericht
o Focus op de persoon o Focus op de persoon in relatie met
o De persoon is zelfbepalend omgeving
o Er wordt gekeken naar het gedrag van o Systeem en context bepalen mee
de persoon o Samenhang, verbinding, betekenissen
o Aandacht voor de binnenkant o Aandacht voor de buitenkant
o “Iets is” iets staat vast voor eens o “Iets wordt” iets is steeds in
en altijd verandering/beweging
o Er is 1 waarheid o Er zijn vele waarheden
Lineair causaal denken Circulair causaal denken
o We spreken van ‘oorzaak’ en ‘gevolg’ o Verschijnselen zijn niet meer te
o We vinden gemakkelijk een verklaren vanuit een
zondebok/een schuldige eenvoudig oorzaak – gevolgprincipe
o Afwijkend gedrag is iets van die o Meerdere factoren beïnvloeden elkaar:
ene persoon alleen meerdere cirkels van beïnvloeding
Circulair causaal denken:
o A beïnvloedt B en B beïnvloedt A die onder invloed staan van C en D en E en...
o A = oorzaak, B = gevolg, B = oorzaak, A=gevolg, …
2
, o Begrippen oorzaak en gevolg worden betekenisloos
Spreken van aandeel
WAT VERSTAAN WIJ ONDER EEN SYSTEEM? – WEIJENBERG
= Het begrip systeem wijst op een eenheid, opgebouwd uit deelverhoudingen, het gaat niet
alleen om de delen op zich, ook niet om het geheel, maar
om de doelgerichte betrekkingen tussen dit alles’
HOOFDSTUK 2: KENMERKEN VAN EEN SYSTEEM
WAT IS EEN SYTEEM?
Systeem:
o Verzameling van elementen
o Dat als geheel functioneert
o Door onderlinge afhankelijkheid van de verschillende elementen
o En die voor de betrokken elementen bepaalde functies vervult.
Systeembenadering:
o Manier om naar sociale systemen te kijken.
o Deze systemen zijn heel divers, toch vinden we er wetmatigheden in terug en ook een
aantal kenmerken.
Deze wetmatigheden liggen vooral onder voorwaarde van communicatie of
interactie binnen systemen
Sociale systemen
o Een systeem van mensen is altijd een open systeem
o Staat in voortdurende wisselwerking met zijn omgeving
BELANGRIJKE TERMEN OM SYSTEMEN TE BESCHRIJVEN
2
, Subsysteem
= component van het overkoepelende systeem
Suprasysteem
= het overkoepelende systeem
Vb: ouderpaar heeft twee kinderen. Beide kinderen zijn gehuwd en hebben ook
kinderen. Suprasysteem is hier de familie, de kinderen vormen hun eigen
gezinssysteem als ze hun eigen weg gaan. Binnen elk van deze systemen is er
een subsysteem ‘ouders’ en een subsysteem ‘kinderen’
! Kenmerken gelden voor zowel subsystemen als suprasystemen
5 KENMERKEN VAN SOCIALE SYSTEMEN
1. Totaliteit/ niet-optelbaarheid
2. Interafhankelijkheid
3. Gezamenlijk doel
4. Emotionele betrokkenheid
5. Tijdselement
o Een systeem is meer dan de som van de delen
o Dus het geheel kan andere eigenschappen hebben dan de aparte elementen
2. interafhankelijkheid
1. Totaliteit of niet-optelbaarheid
o Alles hangt met alles samen
o 1 verandering is voelbaar in het hele systeem
Systeem is bepalend voor gedrag van elk
individu
Systeem "wil" blijven voortbestaan past zich
aan bij verandering
3.gezamenlijk doel
o ‘Groep mensen’ worden ‘een systeem’ wanneer ze een gezamenlijk doel nastreven.
o Doel is niet altijd uitgesproken en liggen niet definitief vast
o Iedereen vervult een eigen rol
Heeft eigen functie om het doel te bewerkstellingen “aandeel”
2