Klv personen met verstandelijke beperking: H6-10
Inhoud
6.1. Belang van beeldvorming..................................................................2
6.2. Beeldvormingsmodellen....................................................................2
6.3. Interculturele kanttekeningen............................................................6
7.1. Kwaliteit van leven.............................................................................7
7.2. Kwaliteit van leven versus kwaliteit zorg...........................................7
7.3. Model van Schalock & Verdugo (mindmap van maken).....................8
7.4. Kwaliteit van leven meten...............................................................21
7.5. Interculturele kanttekeningen..........................................................21
8.1. Ondersteuningplan..........................................................................22
8.2. Ondersteuningvormen.....................................................................22
8.3. Ondersteuningcirkel van binnen naar buiten en omgekeerd...........23
8.4. De basishouding van de hulpverlener..............................................24
8.5. Interculturele kanttekening..............................................................24
9.1. Meervoudige beperkingen...............................................................25
9.2. Verstandelijke beperking en probleemgedrag (examenvragen
hierover).................................................................................................25
9.3. Verstandelijke beperking en epilepsie.............................................32
9.4. Verstandelijke beperking en ouder worden......................................35
9.5. Verstandelijke beperking en middelengebruik.................................39
9.6. Verstandelijke beperking en ASS.....................................................40
10.1. Gentle Teaching van John McGee...................................................43
10.2. Ervaringsordening van Dorothea Timmers-Huigens.......................45
10.3. Basale Stimulatie (BS) van Andreas Frohlich..................................46
10.4. Schaal emotionele Ontwikkeling (SEO) van Aton Dosen................49
10.5. Rouwbegeleiding............................................................................52
10.6. Triple – C........................................................................................55
10.7. Supported employment (SE) of Begeleid Werken (BW).................56
10.8. Totale communicatie (TC)..............................................................58
10.9. Oplossingsgericht Werken (OW).....................................................59
1
, 10.10. Coaching bij seksualiteit..............................................................61
Hoofdstuk 6: beeldvorming p.87-98
6.1. Belang van beeldvorming
- Goede beeldvorming focus: kwaliteiten + beperkingen + persoon
zelf + omgeving
- Beeldvorming creëren vraagverduidelijking waar wilt de
persoon naartoe in zijn leven? Welke dromen, verlangens, wensen?
Wat heeft hij nodig?
- Ondersteuningsplan nodig.
Beeldvorming en de wensen van de persoon
Ondersteuning
kwaliteit van leven optimaliseren
6.2. Beeldvormingsmodellen
2 beeldvormingsmodellen:
- AAIDD – model (American association on intellectual and
development disabilities)
- ICF - model (International classification of functioning, disability
and health)
Model ICF:
- Gemeenschappelijk denkkader uitgewerkt door WHO
- Beschrijft:
Functieprobleem
Activiteiten die de persoon zelf kan uitvoeren
Mate van maatschappelijk participatie
- Gebruikt in verschillende sectoren:
Ouderzorg
Ziekenhuissector
Sectoren personen met beperking
Model AAIDD:
- Model specifiek gericht op mensen met een
verstandelijke beperking.
- Gebaseerd op 3 uitgangspunten:
2
, Vertrekt uit sociaal- ecologische visie op beperking
context wordt meegenomen. Persoon met beperkingen en
mogelijkheden omgeving heeft verwachtingen.
AAIDD is een ondersteuningsmodel (netwerk van
professionals).
Multidimensioneel model functioneren van de persoon
wordt bekeken op 5 dimensies deze zijn toepasbaar op elke
persoon universeel dus.
5 dimensies:
1. Verstandelijke mogelijkheden
2. Adaptief gedrag
3. Gezondheid
4. Participatie, interactie en sociale rollen
5. Context
Dimensie 1: Verstandelijke mogelijkheden
- Verstandelijke mogelijkheden capaciteit van de persoon om de
omgeving te begrijpen + aanpassen.
- Verstandelijke vermogen multidimensioneel.
Verstandelijke
mogelijkheden
- Redeneervermogen - Complexe zaken begrijpen
- Snelheid van leren - Probleemoplossende vaardigheden
- Abstract denken - Ruimtelijk inzicht
(dood) - Leren uit ervaringen
- Planvaardigheden
Mensen met verstandelijke beperking minder presteren op
verstandelijke mogelijkheden kan zich uiten tot:
- Meer tijd nodig om nieuwe zaken te leren.
- Redeneren, complexe zaken inzien en abstract denken is moeilijk.
- Aandacht en concentratie kunnen beperkt zijn. Ze zijn sneller af
geleid door prikkels.
- Organiseren en plannen van activiteiten en afspraken is niet altijd
evident.
- Ruimtelijk inzicht is soms beperkt.
- Weinig gestuurd worden door zelf bedachte plannen of zelf
gekozen doelen en eerder door in het oog springende zaken.
- Hoofd· en bijzaken onderscheiden is niet vanzelfsprekend.
- Impulsief en – in geval van als bedreigend ervaren prikkels –
agressief gedrag. Ze handelen eerst en denken vooraf
3
, onvoldoende na.
- Niet altijd gemakkelijk om wat ze geleerd hebben toe te passen in
een context.
- Hun alertheid kan heel wisselend zijn van dag tot dag. De ene dag
het kind een goed geheugen, de andere dag is het verward, weinig
alert of volledig afwezig.
Dimensie 2: Adaptief gedrag
Adaptief gedrag: in welke mate kan de persoon functioneren in het
dagelijks leven.
Conceptuele, sociale en praktische vaardigheden.
Personen met een beperking presenteren minder op vlak van adaptief
gedrag dan normaal ontwikkelende kinderen.
3 adaptieve vaardigheden:
Conceptueel adaptief lezen, schrijven, geldbesef, kloklezen, taal
gedrag: begrijpen en zich uitdrukken
Sociaal adaptief gedrag: regels volgen,
verantwoordelijkheidsgevoel, zelfwaarde,
zich laten manipuleren
Praktisch adaptief gedrag: eten, verzorging, aandacht voor
veiligheid, koken, GSM gebruik, bus/trein
nemen, medicatiegebruik.
Zie p.92 voor de voorbeelden hiervan.
Sociaal adaptief gedrag:
- Communicatie: vaak vertraagde taal en spraakontwikkeling.
- Relatie: weinig sociaal netwerk. Wat is voor hun liefde?
- Zelfbeeld: onderschatten zichzelf, anderen overschatten hun.
Dimensie 3: Participatie, interactie en sociale rollen
- Gaat over de mate waarin de persoon deelneemt aan sociale
situaties.
- Neemt de persoon deel aan het familiegebeuren, aan het
buurtleven, aan de maatschappij en hoe?
- Welke relaties gaat de persoon aan?
- Sociale rol als broer/ zus opnemen?
4
Inhoud
6.1. Belang van beeldvorming..................................................................2
6.2. Beeldvormingsmodellen....................................................................2
6.3. Interculturele kanttekeningen............................................................6
7.1. Kwaliteit van leven.............................................................................7
7.2. Kwaliteit van leven versus kwaliteit zorg...........................................7
7.3. Model van Schalock & Verdugo (mindmap van maken).....................8
7.4. Kwaliteit van leven meten...............................................................21
7.5. Interculturele kanttekeningen..........................................................21
8.1. Ondersteuningplan..........................................................................22
8.2. Ondersteuningvormen.....................................................................22
8.3. Ondersteuningcirkel van binnen naar buiten en omgekeerd...........23
8.4. De basishouding van de hulpverlener..............................................24
8.5. Interculturele kanttekening..............................................................24
9.1. Meervoudige beperkingen...............................................................25
9.2. Verstandelijke beperking en probleemgedrag (examenvragen
hierover).................................................................................................25
9.3. Verstandelijke beperking en epilepsie.............................................32
9.4. Verstandelijke beperking en ouder worden......................................35
9.5. Verstandelijke beperking en middelengebruik.................................39
9.6. Verstandelijke beperking en ASS.....................................................40
10.1. Gentle Teaching van John McGee...................................................43
10.2. Ervaringsordening van Dorothea Timmers-Huigens.......................45
10.3. Basale Stimulatie (BS) van Andreas Frohlich..................................46
10.4. Schaal emotionele Ontwikkeling (SEO) van Aton Dosen................49
10.5. Rouwbegeleiding............................................................................52
10.6. Triple – C........................................................................................55
10.7. Supported employment (SE) of Begeleid Werken (BW).................56
10.8. Totale communicatie (TC)..............................................................58
10.9. Oplossingsgericht Werken (OW).....................................................59
1
, 10.10. Coaching bij seksualiteit..............................................................61
Hoofdstuk 6: beeldvorming p.87-98
6.1. Belang van beeldvorming
- Goede beeldvorming focus: kwaliteiten + beperkingen + persoon
zelf + omgeving
- Beeldvorming creëren vraagverduidelijking waar wilt de
persoon naartoe in zijn leven? Welke dromen, verlangens, wensen?
Wat heeft hij nodig?
- Ondersteuningsplan nodig.
Beeldvorming en de wensen van de persoon
Ondersteuning
kwaliteit van leven optimaliseren
6.2. Beeldvormingsmodellen
2 beeldvormingsmodellen:
- AAIDD – model (American association on intellectual and
development disabilities)
- ICF - model (International classification of functioning, disability
and health)
Model ICF:
- Gemeenschappelijk denkkader uitgewerkt door WHO
- Beschrijft:
Functieprobleem
Activiteiten die de persoon zelf kan uitvoeren
Mate van maatschappelijk participatie
- Gebruikt in verschillende sectoren:
Ouderzorg
Ziekenhuissector
Sectoren personen met beperking
Model AAIDD:
- Model specifiek gericht op mensen met een
verstandelijke beperking.
- Gebaseerd op 3 uitgangspunten:
2
, Vertrekt uit sociaal- ecologische visie op beperking
context wordt meegenomen. Persoon met beperkingen en
mogelijkheden omgeving heeft verwachtingen.
AAIDD is een ondersteuningsmodel (netwerk van
professionals).
Multidimensioneel model functioneren van de persoon
wordt bekeken op 5 dimensies deze zijn toepasbaar op elke
persoon universeel dus.
5 dimensies:
1. Verstandelijke mogelijkheden
2. Adaptief gedrag
3. Gezondheid
4. Participatie, interactie en sociale rollen
5. Context
Dimensie 1: Verstandelijke mogelijkheden
- Verstandelijke mogelijkheden capaciteit van de persoon om de
omgeving te begrijpen + aanpassen.
- Verstandelijke vermogen multidimensioneel.
Verstandelijke
mogelijkheden
- Redeneervermogen - Complexe zaken begrijpen
- Snelheid van leren - Probleemoplossende vaardigheden
- Abstract denken - Ruimtelijk inzicht
(dood) - Leren uit ervaringen
- Planvaardigheden
Mensen met verstandelijke beperking minder presteren op
verstandelijke mogelijkheden kan zich uiten tot:
- Meer tijd nodig om nieuwe zaken te leren.
- Redeneren, complexe zaken inzien en abstract denken is moeilijk.
- Aandacht en concentratie kunnen beperkt zijn. Ze zijn sneller af
geleid door prikkels.
- Organiseren en plannen van activiteiten en afspraken is niet altijd
evident.
- Ruimtelijk inzicht is soms beperkt.
- Weinig gestuurd worden door zelf bedachte plannen of zelf
gekozen doelen en eerder door in het oog springende zaken.
- Hoofd· en bijzaken onderscheiden is niet vanzelfsprekend.
- Impulsief en – in geval van als bedreigend ervaren prikkels –
agressief gedrag. Ze handelen eerst en denken vooraf
3
, onvoldoende na.
- Niet altijd gemakkelijk om wat ze geleerd hebben toe te passen in
een context.
- Hun alertheid kan heel wisselend zijn van dag tot dag. De ene dag
het kind een goed geheugen, de andere dag is het verward, weinig
alert of volledig afwezig.
Dimensie 2: Adaptief gedrag
Adaptief gedrag: in welke mate kan de persoon functioneren in het
dagelijks leven.
Conceptuele, sociale en praktische vaardigheden.
Personen met een beperking presenteren minder op vlak van adaptief
gedrag dan normaal ontwikkelende kinderen.
3 adaptieve vaardigheden:
Conceptueel adaptief lezen, schrijven, geldbesef, kloklezen, taal
gedrag: begrijpen en zich uitdrukken
Sociaal adaptief gedrag: regels volgen,
verantwoordelijkheidsgevoel, zelfwaarde,
zich laten manipuleren
Praktisch adaptief gedrag: eten, verzorging, aandacht voor
veiligheid, koken, GSM gebruik, bus/trein
nemen, medicatiegebruik.
Zie p.92 voor de voorbeelden hiervan.
Sociaal adaptief gedrag:
- Communicatie: vaak vertraagde taal en spraakontwikkeling.
- Relatie: weinig sociaal netwerk. Wat is voor hun liefde?
- Zelfbeeld: onderschatten zichzelf, anderen overschatten hun.
Dimensie 3: Participatie, interactie en sociale rollen
- Gaat over de mate waarin de persoon deelneemt aan sociale
situaties.
- Neemt de persoon deel aan het familiegebeuren, aan het
buurtleven, aan de maatschappij en hoe?
- Welke relaties gaat de persoon aan?
- Sociale rol als broer/ zus opnemen?
4