WARMTE EN TEMPERATUUR
Het molecuulmodel verklaart bepaalde eigenschappen van stoffen. Er zijn een aantal belangrijke eigenschappen die daarbij horen:
1. Moleculen trekken elkaar aan
2. Er zit ruimte tussen de moleculen: de
intermoleculaire ruimte
3. In een stof bewegen moleculen voortdurend, ook
als de stof zelf niet beweegt.
- Alles wat in beweging is, bezit bewegingsenergie: ook wel kinetische energie genoemd. Je kunt zeggen dat hoe groter de
snelheid van een molecuul is, des te groter de kinetische energie van het molecuul is.
- De temperatuur van een stof is eigenlijk een meetwaarde van de gemiddelde kinetische energie van de moleculen van een stof.
- Warmte is dus eigenlijk de hoeveelheid verplaatste energie. Het symbool is Q met als eenheid J (Joule). Als er warmte gaat van
voorwerp A naar voorwerp B, neemt de gemiddelde energie van voorwerp A af en die van voorwerp B juist toe. Dit merk je
doordat de temperatuur van voorwerp A afneemt en die van voorwerp B toeneemt.
Warmte verplaatst zich altijd van een
stof met een hoge temperatuur naar
een stof met een lage temperatuur.
Een stof kan in drie fasen voorkomen: de vaste, de vloeibare en de gasvormige fase. In iedere fase van een stof is er verschil in de
beweging van de moleculen, de ruimte tussen de moleculen en de aantrekkende kracht tussen de moleculen.
In de vaste fase van een stof trillen de moleculen. Omdat de moleculen, afgezien van de trillingen, niet van hun plaats
komen heeft de stof een eigen vorm. De ruimte tussen de moleculen is erg klein en de aantrekkende krachten zijn erg
groot.
In de vloeibare fase van een stof bewegen de moleculen door de hele stof heen. Een vloeistof heeft daarom geen eigen
vorm. De ruimte tussen de moleculen is iets groter dan in de vaste fase en door de grotere afstand van elkaar oefenen
ze ook een kleinere kracht uit op elkaar.
In de gasfase van een stof is de gemiddelde afstand van een stof tussen de moleculen zo groot dat je de aantrekkende
krachten verwaarlozen. De moleculen hebben een grote bewegingsvrijheid en de gemiddelde snelheid is dus groter
dan in de vloeibare fase. Gas verspreid zich dus snel door een ruimte.
Voeg je warmte toe aan een vaste stof, gaan de moleculen harder trillen. Zij hebben dan meer ruimte nodig: de intermoleculaire ruimte
wordt groter, oftewel de volume van de stof wordt groter. Voeg je nog meer warmte toe, dan gaan de moleculen in een vaste stof nog
sneller bewegen en komen ze los van hun plaats. → De stof wordt vloeibaar, en dit noem je smelten. De verandering van een fase noem je
een faseovergang. Verwarm je de stof nog meer, dan wordt de intermoleculaire ruimte nog groter en worden de aantrekkende krachten
kleiner→ de stof verdampt.
- Als de kinetische energie van een stof afneemt, daalt de temperatuur van de stof.
- Is de kinetische energie 0, bewegen de moleculen niet meer. De temperatuur kan niet verder meer dalen. Het stilstaan van de
moleculen gebeurd bij een temperatuur van -273 graden: het absolute nulpunt.
De temperatuur in graden Celsius
reken je om naar Kelvin door er
273 bij op te tellen