Kinderen begeleiden les 1
1. Inleiding
2. De beginsituatie
Inhoudstafel:
- Kindgericht onderwijs
- Kinderen kennen (wat is typisch kleuters – individuele BS – BS van groep
– zone van actuele en naaste ontwikkeling)
- Inleiding op het aanpak-proces-effectmodel
Beginsituatie
- huidig beeld dat je van de kleuters hebt (nu)
- startpunt om je handelen vorm te geven
- wie zijn ze en wat hebben ze nodig om verder te ontwikkelen?
Wat is het doel om de BS te observeren?: dit is om een krachtige leeromgeving
vorm te bieden, waar elk kind tot betrokkenheid en welbevinden kan komen.
Onderwijspsycholoog Vygotsky:
- BEGINSITUATIE = zone van actuele ontwikkeling (continue taak,
dynamisch)
- TOEKOMSTIGE BEGINSITUATIE = zone van naaste ontwikkeling (wat kan
het net nog niet, maar met enige stimulering/hulp?)
Individuele beginsituatie
- Verschillen in interesses
- Verschillen in ontwikkeling
= Gedifferentieerde beginsituatie (geen uniforme)
Info nodig over: welbevinden, betrokkenheid, ontwikkeling om domeinen,
groei op vlak van kennis/interesse over de wereld en groep op kunstzinnig
vlak
De beginsituatie van de groep
= variatie en gradatie nodig
= wat is belangrijk vooraf te weten over de groep vooraleer je de activiteit
uitwerkt, materiaal kiest, plaats, groepsgrootte,…
, 2.1. Kindgericht onderwijs
Kindgericht onderwijs = rekening houden met de beginsituatie (voldoende tijd
hiervoor nemen) en stelt de behoeften van het kind centraal.
Kindgerichte visie komt tot uiting wanneer aandacht geschonken wordt aan
wat de kinderen nodig hebben voor hun ontwikkeling + wat de kinderen echt
boeit.
Vragen die je kan stellen:
- Wat kennen/kunnen de kinderen?
- Wat motiveert/stimuleert hen?
- Rekening houden met wat dit kind in deze klasgroep nodig heeft (=
ontwikkeling maximaal ondersteunen)
2.2. Kinderen kennen
2.2.1. Typisch kleuters
Kenmerken:
1. Emotionele beleving
2. Intuïtief
3. Egocentrisme
4. Hang naar gewoontes en routines
5. Concentratievermogen
6. Behoefte aan handelen en bewegen
7. Magisch denken
8. Geen scherp onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid
Emotionele beleving
- Jonge kinderen beleven emoties heel intens
Vb. knuffel betekent houvast en veiligheid, wanneer het kind dit verliest, is
het ontroostbaar, een nieuwe knuffel is niet meer hetzelfde en is zelf
beledigend.
- Kleuters zijn niet zakelijk (hun werkelijkheid is emotioneel gekleurd)
Vb. kleuter logeert bij een tante waar de aardappelen vaak aanbranden,
zal de geur hiervan op latere leeftijd een aangename geur zijn.
- Kleuters beleven hun werkelijkheid als totaliteit waarbij hoofd en hart niet
gescheiden zijn
Vb. een kleuter die zich veilig voelt, zal ook de school en activiteiten als
aangenaam ervaren = kwaliteit van relatie is belangrijk
Intuïtief
- Kleuters hebben nog niet veel begrip van de wereld (willen dit op een
andere wijze compenseren) haarscherpe intuïtie
- Ze letten minder op verbale uitingen, meer op non-verbale
- Ze voelen wanneer de leerkracht een persoon/kleuters niet aardig vindt.
Egocentrisme
- Jonge kinderen zijn egocentrisch
- Cognitieve kwestie: ze kunnen zich niet verplaatsen in het perspectief van
een ander
, Vb. Minou is dood, de kleuter weet niet dat jij niet weet dat het zijn
hamster is.
Hang naar gewoontes en routines
- Jonge kinderen zijn gewoontedieren (geven hen zekerheid)
- Terugkerende routines: vb. na de kring mogen ze spelen, zo kan het kind al
tevoren plannen maken wat hij wil doen
- Geef ‘lesjes’ hoe iets moet en kinderen zullen het doen en anderen
corrigeren vb. strijkijzer niet in het poppenbed
Concentratievermogen
- De meeste kunnen zich goed concentreren, maar lukt niet om langer dan
20 min. stil te zitten in een kringgesprek.
- Betrokkenheid moet van binnenuit komen.
- Taken opgelegd door leerkracht zal niet altijd een succes zijn (enkel als het
betekenis biedt)
Behoefte aan handelen en bewegen
- Als leerkracht rekening houden met bewegingsdrang
- Beter dingen geven in handen zodat ze kunnen handelen en doen.
Vb. geen rekenles over lang en kort, maar de kleuters elkaar leren meten
Vb. versje leren met bewegingen, verhaal met hele lijf beleven is beter
Magisch denken
- Wetten van logica (oorzaak/gevolg en middel/doel) zijn niet van toepassing
- Als leerkracht niet forceren om het rationele denkschema in te willen
duwen, maar zelf een beetje in de magische wereld te gaan geloven.
Geen scherp onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid
- In hun wereld is alles mogelijk
- Als leerkracht niet zeggen dat er geen reus is, maar een thema rond
maken
- Spel is interessant wanneer het ernstig gespeeld wordt zoals kinderen dat
doen
, Kinderen begeleiden les 2
3. Model aanpak – proces – effect
Inhoudstafel
- Waarom we doelen voorop stellen
- Doelgericht onderwijs vorm geven (doelen bepalen, doelenkader, hoe
doelen nastreven
Doelen
- Kwaliteitsvol onderwijs = why – how – what?
- Iedereen weet wat hij doet, gedeelte weet hoe, weinigen
weten waarom
1) Vertrekken uit waarom en van daaruit je verhaal funderen
2) Hoe (afhankelijk van het soort doel(en)): persoonsvorming,
vaardigheden, kennis over de wereld
Vb. why: kleuren benoemen, how: benoemen, aanvullen, what speellied
Vb. why: autonomie, how: vrij dansen, what: danshoek
Het ‘waarom’
- Waar wil ik hen een stapje verder in brengen?
- Wat is de bedoeling van de activiteit?
- Waarom vind ik het belangrijk dat dit meemaken?
- Wat wil ik dat deze kleuters bereiken?
Doelstelling
= een nieuw/veranderd gedrag dat de leerkracht wenst na te streven bij de
kleuters via een aanbod dat voorzien wordt en/of de begeleiding van de kleuters.
Doelenkader ‘ de drie doelgebieden voor het werken met jonge
kinderen’
Basisvoorwaarden (fundament): welbevinden en kwaliteit tussen kind en
leerkracht. Hierdoor ontwikkelt het kind zich beter + tegemoetkomen aan
menselijke behoeften
3 doelgebieden: persoonsvorming + kennis over de wereld + vaardigheden
Einddoel: de richting die we willen dat het kind als mens uitgaat, als lid van de
toekomstige wereld
1. Inleiding
2. De beginsituatie
Inhoudstafel:
- Kindgericht onderwijs
- Kinderen kennen (wat is typisch kleuters – individuele BS – BS van groep
– zone van actuele en naaste ontwikkeling)
- Inleiding op het aanpak-proces-effectmodel
Beginsituatie
- huidig beeld dat je van de kleuters hebt (nu)
- startpunt om je handelen vorm te geven
- wie zijn ze en wat hebben ze nodig om verder te ontwikkelen?
Wat is het doel om de BS te observeren?: dit is om een krachtige leeromgeving
vorm te bieden, waar elk kind tot betrokkenheid en welbevinden kan komen.
Onderwijspsycholoog Vygotsky:
- BEGINSITUATIE = zone van actuele ontwikkeling (continue taak,
dynamisch)
- TOEKOMSTIGE BEGINSITUATIE = zone van naaste ontwikkeling (wat kan
het net nog niet, maar met enige stimulering/hulp?)
Individuele beginsituatie
- Verschillen in interesses
- Verschillen in ontwikkeling
= Gedifferentieerde beginsituatie (geen uniforme)
Info nodig over: welbevinden, betrokkenheid, ontwikkeling om domeinen,
groei op vlak van kennis/interesse over de wereld en groep op kunstzinnig
vlak
De beginsituatie van de groep
= variatie en gradatie nodig
= wat is belangrijk vooraf te weten over de groep vooraleer je de activiteit
uitwerkt, materiaal kiest, plaats, groepsgrootte,…
, 2.1. Kindgericht onderwijs
Kindgericht onderwijs = rekening houden met de beginsituatie (voldoende tijd
hiervoor nemen) en stelt de behoeften van het kind centraal.
Kindgerichte visie komt tot uiting wanneer aandacht geschonken wordt aan
wat de kinderen nodig hebben voor hun ontwikkeling + wat de kinderen echt
boeit.
Vragen die je kan stellen:
- Wat kennen/kunnen de kinderen?
- Wat motiveert/stimuleert hen?
- Rekening houden met wat dit kind in deze klasgroep nodig heeft (=
ontwikkeling maximaal ondersteunen)
2.2. Kinderen kennen
2.2.1. Typisch kleuters
Kenmerken:
1. Emotionele beleving
2. Intuïtief
3. Egocentrisme
4. Hang naar gewoontes en routines
5. Concentratievermogen
6. Behoefte aan handelen en bewegen
7. Magisch denken
8. Geen scherp onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid
Emotionele beleving
- Jonge kinderen beleven emoties heel intens
Vb. knuffel betekent houvast en veiligheid, wanneer het kind dit verliest, is
het ontroostbaar, een nieuwe knuffel is niet meer hetzelfde en is zelf
beledigend.
- Kleuters zijn niet zakelijk (hun werkelijkheid is emotioneel gekleurd)
Vb. kleuter logeert bij een tante waar de aardappelen vaak aanbranden,
zal de geur hiervan op latere leeftijd een aangename geur zijn.
- Kleuters beleven hun werkelijkheid als totaliteit waarbij hoofd en hart niet
gescheiden zijn
Vb. een kleuter die zich veilig voelt, zal ook de school en activiteiten als
aangenaam ervaren = kwaliteit van relatie is belangrijk
Intuïtief
- Kleuters hebben nog niet veel begrip van de wereld (willen dit op een
andere wijze compenseren) haarscherpe intuïtie
- Ze letten minder op verbale uitingen, meer op non-verbale
- Ze voelen wanneer de leerkracht een persoon/kleuters niet aardig vindt.
Egocentrisme
- Jonge kinderen zijn egocentrisch
- Cognitieve kwestie: ze kunnen zich niet verplaatsen in het perspectief van
een ander
, Vb. Minou is dood, de kleuter weet niet dat jij niet weet dat het zijn
hamster is.
Hang naar gewoontes en routines
- Jonge kinderen zijn gewoontedieren (geven hen zekerheid)
- Terugkerende routines: vb. na de kring mogen ze spelen, zo kan het kind al
tevoren plannen maken wat hij wil doen
- Geef ‘lesjes’ hoe iets moet en kinderen zullen het doen en anderen
corrigeren vb. strijkijzer niet in het poppenbed
Concentratievermogen
- De meeste kunnen zich goed concentreren, maar lukt niet om langer dan
20 min. stil te zitten in een kringgesprek.
- Betrokkenheid moet van binnenuit komen.
- Taken opgelegd door leerkracht zal niet altijd een succes zijn (enkel als het
betekenis biedt)
Behoefte aan handelen en bewegen
- Als leerkracht rekening houden met bewegingsdrang
- Beter dingen geven in handen zodat ze kunnen handelen en doen.
Vb. geen rekenles over lang en kort, maar de kleuters elkaar leren meten
Vb. versje leren met bewegingen, verhaal met hele lijf beleven is beter
Magisch denken
- Wetten van logica (oorzaak/gevolg en middel/doel) zijn niet van toepassing
- Als leerkracht niet forceren om het rationele denkschema in te willen
duwen, maar zelf een beetje in de magische wereld te gaan geloven.
Geen scherp onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid
- In hun wereld is alles mogelijk
- Als leerkracht niet zeggen dat er geen reus is, maar een thema rond
maken
- Spel is interessant wanneer het ernstig gespeeld wordt zoals kinderen dat
doen
, Kinderen begeleiden les 2
3. Model aanpak – proces – effect
Inhoudstafel
- Waarom we doelen voorop stellen
- Doelgericht onderwijs vorm geven (doelen bepalen, doelenkader, hoe
doelen nastreven
Doelen
- Kwaliteitsvol onderwijs = why – how – what?
- Iedereen weet wat hij doet, gedeelte weet hoe, weinigen
weten waarom
1) Vertrekken uit waarom en van daaruit je verhaal funderen
2) Hoe (afhankelijk van het soort doel(en)): persoonsvorming,
vaardigheden, kennis over de wereld
Vb. why: kleuren benoemen, how: benoemen, aanvullen, what speellied
Vb. why: autonomie, how: vrij dansen, what: danshoek
Het ‘waarom’
- Waar wil ik hen een stapje verder in brengen?
- Wat is de bedoeling van de activiteit?
- Waarom vind ik het belangrijk dat dit meemaken?
- Wat wil ik dat deze kleuters bereiken?
Doelstelling
= een nieuw/veranderd gedrag dat de leerkracht wenst na te streven bij de
kleuters via een aanbod dat voorzien wordt en/of de begeleiding van de kleuters.
Doelenkader ‘ de drie doelgebieden voor het werken met jonge
kinderen’
Basisvoorwaarden (fundament): welbevinden en kwaliteit tussen kind en
leerkracht. Hierdoor ontwikkelt het kind zich beter + tegemoetkomen aan
menselijke behoeften
3 doelgebieden: persoonsvorming + kennis over de wereld + vaardigheden
Einddoel: de richting die we willen dat het kind als mens uitgaat, als lid van de
toekomstige wereld