3.1
- Haakjes wegwerken
a(b+c) = ab + ac
(a+b)c = ac + bc
(a+b)(c+d) = ac + ad + bc + bd
- Lineaire vergelijkingen oplossen
Termen met x naar de linkerkant brengen en de rest naar de rechterkant. Herleid beide leden tot er
één getal aan de linkerkant staat (met de x) en één getal aan de andere kant. Deel het getal aan de
rechterkant door het getal met de x. (de plus en de min vallen altijd voor het getal wat erachter staat,
wanneer je een getal verplaatst naar de andere kant van de = dan veranderd + in – en andersom. Als
er niets voor een getal staat, dan is het een + getal) Als er haakjes in de formule staan, dan werk je
eerst de haakjes weg.
Vb: Los op. 6x -2 = 2x +18
6x -2x = +2 +18
4x = 20
X =5
- Richtingscoëfficiënt
in het figuur hiernaast is de lijn A: y= ¾ x + 1 getekend.
De grafiek van de lineaire formule is de lijn waarvoor
geldt: 1.
Het snijpunt met de y-as is (0,1)
2. Ga je één naar rechts, dan ga je ¾ omhoog.
Het getal ¾ in de formule heet de richtingscoëfficiënt van
A. Notatie: rca = ¾ .
Van de lijn y = ax + b is de richtingscoëfficiënt a. rc = a
betekent 1 naar rechts en a omhoog. De lijn y = ax + b
snijdt de y-as in het punt (0,b). Lijnen met dezelfde richtingscoëfficiënt zijn evenwijdig. De lijn y=5 is
de horizontale lijn door het punt (0,5). Alle punten op deze lijn hebben y-coördinaat 5. De lijn x= 6 is
de verticale lijn door het punt (6,0). Alle punten op deze lijn hebben x-coördinaat 6.
- Recht evenredig
Y is (recht) evenredig met x
1. vermenigvuldig je x met een getal, dan moet je y met hetzelfde getal vermenigvuldigen.
2. De formule heeft de vorm y = ax.
3. De grafiek is een lijn door de oorsprong (0 punt).
3.2