Onderzoek & diagnose – logopedie jaar 1 – kwartaal 1 2019-
2020
Hoe kijk je naar een anatomische tekening?
Anatomische stand = je bekijkt (standaard) iemand van voren, tegen de handpalmen aan.
Vlakken
Frontaal = links-rechts; boven-beneden (voor- en achteraanzicht)
Sagittaal = voor-achter; boven-beneden (zijaanzicht)
Transversaal = links-rechts; voor-achter (onder- en bovenaanzicht)
Mediaan vlak = wat jou in twee spiegelbeeldige helften verdeeld (symmetrisch)
Richtingen
Boven: craniaal (kruin/schedel) ‘superior’
Onder: caudaal (staartbotje) ‘inferior’
Voorzijde: ventraal (venter=buik) ‘anterior’
Achterkant: dorsaal (dorsem=rug) ‘posterior’
Opzij: lateraal
Midden: mediaal
Middelpunt: centraal
Buitenkant: perifeer
Binnen: intern gebruikt bij bloedvaten
Buiten: extern gebruikt bij bloedvaten
Oppervlakkig: superficiaal
Diep: profunda
Tegen: contalateral
Dezelfde kant: ipsilateraal
Dichterbij de romp: proximaal gebruikt bij ledematen
Verder van de romp af: distaal gebruikt bij ledematen
Afkortingen
A. = arteria slagader – meervoud *(aa.)
V. = vena ader *(vv.)
N. = nervus zenuw – ‘hersenzenuw’ (werkt in het hoofd/hals gebied) *(nn.)
n. = nervus kleine zenuw – ‘n’ bestuurd armen/benen/romp
Art. = articulatio gewricht *(artt.)
Lig. = ligament gewrichtsband *(ligg.)
M. = musculus spier *(mm.)
Naamgevingen
Micro: klein
, Macro: groot / het grote geheel
Hypo/hyper: laag/hoog, veel
Mono: één
Di: twee, bi
Poly: veel
Multi: meerdere
Semi: half
Oligo: weinig
A- of an- : niet (asociaal)
Auto: ik, zelf
Per: meteen
Lichaamsdelen
Cranium – schedel
Cerebrum – grote hersenen
Cerebellum – kleine hersenen
Cavum nasi – neusholte
Cavum oris – mondholte
Farynx – keelholte
Larynx – strottenhoofd
Glottis – stemspleet
Trachea – luchtpijp
Thorax – borstkas
Diafragma – middenrif (spier, scheiding tussen borst/buikholte)
Vertebra – wervel
Sternum – borstbeen
Costa – rib
Palatum – verhemelte (gehemelte)
Glossus/lingua – tong
Uvula – huig
Termen vanuit de praktijk
Afasie – spraak/taal probleem (niet in staat om taal/spraak als communicatiemiddel te gebruiken)
Apraxie – niet in staat om praktisch te handelen
Ataxie – niet in staat om gecoördineerd te bewegen (praten met dubbele tong)(dronkenloopje)
Parese – krachtsvermindering
Paralyse – verlamming
Tremor – trillingen (mensen met Parkinson)
Dysfagie – slikstoornis
CVA – een beroerte
Hemiplegie – halfzijdige verlamming (dwarslezing)
a/hypo/brady kinesie – niet/weinig/traag bewegen
contractuur – dwangstand van gewricht
Soorten gezondheidszorg
Intramuraal = binnen de muren van een gezondheidsinstelling ziekenhuis
Extramuraal = zorg buiten een gezondheidsgebouw thuiszorg
Eerste lijn = je kan hier zonder verwijzing terecht
Tweede lijn = medische specialisten
Derde lijn = ‘superspecialismes’
Preventief = voorkomen dat vaccinaties
Curatie = gericht op genezen