GEDRAGSNEUROLOGIE/ NEUROPSYCHOLOGIE
True or false:
• Het vrouwenbrein is efficiënter dan het mannenbrein? Juist
• Mannen kunnen beter kaartlezen dan vrouwen? Juist (mannen hebben meer abstract inzicht)
• Mannen zijn betere chauffeurs dan vrouwen? Fout
• Vrouwen zijn beter in het ontcijferen van emoties dan mannen? Juist
• Mannen begrijpen vrouwen gewoon echt niet? Juist en fout (vrouwen kunnen emoties beter interpreteren)
• Vrouwen kunnen beter multitasken dan mannen? Juist en fout (mannen worden sneller slecht gezind)
• Mannen zijn beter in wiskunde dan vrouwen? Fout
• Vrouwen voelen meer pijn dan mannen? Juist
• De mannengriep bestaat echt? Juist (mannen hebben meer temperatuurreceptoren in de hersenen)
• Mannen en vrouwen reageren anders op stress? Juist
1 NEUROFYLOGENESE
Neurofylogenese: ontwikkeling van het ZS over miljoenen generaties heen
Neuro- ontogenese: ontwikkeling van het ZS binnen 1 persoon: vanaf de conceptie doorheen de levensloop
• Evolutionaire ontwikkeling: 500 000 000 soorten
• Huidige organismen -> veranderde afstammelingen van voorgaande levende organismen -> verwantschap
in bouwplan!
• Gemeenschappelijk bouwplan MAAR aanpassing aan eigen biotoop! Variaties op gemeenschappelijk
bouwplan
• Oudere delen ZS gaan niet verloren -> vallen onder controle geëvolueerde, hogere delen -> steeds
complexer gedrag wordt mogelijk
• Mens -> meest ontwikkelde brein
- Afmetingen
- Differentiatie hersengebieden
- +/ - miljoen jaar geleden -> groeisnelheid stijgt
- Evolutie?
• Biotoop: bomen
- Klimmen
- Springen
- Dieptezicht noodzakelijk -> stand ogen
, • Klimaatveranderingen
- Savannes -> grassen -> 1m
- Kadavers in savanne -> vlees
- Zelf prooi
- Bipedalisme
➢ Door savanne bewegen
➢ Spotten van prooi
➢ Spotten van gevaar
➢ Verandering anatomie
• Indirect voordeel bipedalisme -> handen komen vrij
- Kracht ontwikkelen
- Stenen slijpen + gooien/ snijden -> visuoruimtelijke vaardigheden, probleemoplossend vermogen, fijne
motoriek
- Botten breken -> fosforrijke eiwitten
-> input hersengroei
• Homo erectus + handen vrij:
- Vuur maken
- Eten roosteren/ grillen
- Kaken via genmutatie kleiner
-> ruimte (fysiek) voor hersengroei
• Lange evolutie -> zeer complex ZS
• Mens wint het in brein en inzicht, niet door sterkte: aanpassingsvermogen
- Hersenvolume x3: 500 cm² -> 1500 cm² in slechts 3 miljoen jaar
➢ ↑ neuronen & verbindingen
- Cognitieve- affectieve functies ↑
• Non- verbale communicatie: via handen + gezichtsexpressie,…
- Gebaren
- Sclera oog -> kijkinrichting
• Ontwikkeling gesproken taal
- Kennis doorgeven -> culturele (r)evolutie
- Belang ondersteunde gebaren in communicatie: link cognitie
- Verwijzing in taal naar ‘handelingen’, evolutie: ‘verstaan’, ‘begrijpen’, ‘benadrukken’, wat is er aan de
‘hand’?
-> input hersenontwikkeling (wisselwerking omgeving)
• Sociale en culturele evolutie:
- Mogelijk door communicatie: doorgeven van verworven kennis
- Gaat veel sneller dan genetische evolutie
➢ Genetisch: verticale overdracht (via genetische variatie en natuurlijke selectie)
➢ Cultureel: verticale en horizontale overdracht
✓ Imitatie: spiegelneuronen
✓ Gedrag of eigenschappen veel sneller aanpassen -> meer controle
- Noodzaak curiositeit -> innovatie
➢ Zit in de genen: nieuwigheid -> gevaar -> bestuderen, observeren, nieuwe routes en invalshoeken
bekijken -> basis creativiteit en talent
• MAAR! Paradoxale brein!
• Ons brein heeft ons een complexe snel veranderde wereld doen ontwerpen
• Ook op sociaal vlak brein slachtoffer van zijn eigen creaties
• Auto- correct humanity
2
,2 NEURO- ONTOGENESE
• Baby doorloopt hele evolutionaire proces v/d primaten op kortere tijd
• Noodzaak ouders/ anderen in omgeving om uiting genen maximaal tot hun recht te laten komen
• Fontanelle: hersenplaat niet volledig gesloten -> brein moet nog uitzetten -> brein wordt beschermd door
een sterk membraan
• Hersenen laten uitzetten na geboorte
• Brein moet dan hele ontwikkeling afleggen
- Genetisch veel kansen
- Tot uiting komen -> afhankelijk van omgevingsstimulatie
- Bedrading vormen
- Interactie nature- nuture!
• Postnatale ontwikkeling van het brein
- Volume brein ↑
- Schedelplaten groeien mee
- Schedel wordt vastgezet -> plooien hersenschors (+/- regelmaat)
• Functionele ontwikkeling van het brein
- Richting: van achter naar voor
- 5 j – 20j
- Blauw = ‘klaar’: overtollige grijze stof verdwijnen: pruning -> specialisatie +
efficiëntie overblijvende verbindingen
- Leren
- Brain development
• Leren -> connecties opbouwen in het brein tussen de zenuwcellen
• Lerend brein
• 150 miljard zenuwcellen (neuronen) -> elk +/- 10000 verbindingen vormen
• Leren, herhalen, oefenen (ook zo bij een patiënt met hersenschade)
• ZS verandert continu onder input van zintuigen
- Positief en negatief
➢ Stimuleren baby >< baby laten liggen in wieg
- Hersenen dynamisch! Niet statisch!
➢ Belang feedback (manier waarop ergo feedback geeft aan patiënt is cruciaal)
• Neuroplasticiteit = verwijst naar hoe (kennis en ervarings) netwerken in de hersenen veranderen door
organisatie en reorganisatie in reactie op ervaring en sensorische stimulering
2.1 ONTWIKKELINGSPROCESSEN VAN HET BREIN
• 2 onderscheiden perioden: prenatale en postnatale ontwikkeling
• Embryologische ontwikkeling bestaat uit een reeks goed gecoördineerde complexe processen
a. Beginpositie vd cellen
b. Start celdeling
c. Einde celdeling
d. Start celmigratie
e. Einde celmigratie
f. Start cel differentiatie (axon- en dendrietvorming)
g. Verder cel differentiatie
h. Vorming van connecties (synaptogenese en myelinisatie)
i. Geprogrammeerde celdood (apoptose): cellen worden verwijderd -> bv. vorming van vingers vanuit
een klomp
j. Synaptische reorganisaties
3
, Profileratie:
• Neurogenese of celproliferatie (van neuronen en gliacellen)
• 200000 neuronen/ min
• Proliferatie start in de gebieden die fylogenetisch het oudst zijn en eindigt met de fylogenetisch jongste
gebieden
Volwassenen neurogenese:
• De hersenen blijven zich vernieuwen (nieuwe cellen, zelfvernieuwing, reorganisatie, integratie in bestaande
neuronale circuits,…) = neuroplasticiteit
• Kan beïnvloed worden door ervaring/ omgeving
• Beschadigde neuronen kunnen moeilijk hersteld worden
Celmigratie:
• Ontwikkeling naar de plaats waar ze hun functie zullen krijgen (migreren)
• Kan door interne als externe factoren verstoord worden
Doelbestemming en differentiatie:
• Differentiatie = vorming van dendrieten en axonen en hun functie (cerebrale circuits) -> communicatie of
informatie- uitwisseling tussen gebieden
• Sprouting (groei van vertakkingen)
• Juiste richting en doelselectie
Synaptogenese:
• Vorming van nieuwe synapsen
• Synaptische dichtheid (regio- verschillend)
• Proces zet zich verder tot in de adolescentie
Myelinisatie:
• De axonen worden voorzien van een beschermlaag, myeline
• Invloed op de snelheid van informatietransmissie
• Myelinisatie loopt in verschillende stappen en is regiospecifiek (proximaal voor distaal, sensorisch voor
motorisch, posterieur voor anterieur, projectiegebied voor associatiegebied)
Overproductie:
• In het begin teveel neuronen -> geprogrammeerde celdood of apoptose
Overproductie en regressieve perioden:
In het begin teveel neuronen
• Geprogrammeerde celdood of apoptose
• Synapselimentatie of pruning (ervaringsafhankelijk ‘use it or lose is’)
Een synaptische verbinding is succesvol wanneer het frequent wordt gebruikt en opgenomen is in een functioneel
netwerk van synaptische verbindingen -> ifv externe stimulering -> bv. taal en kinderen, taalverwarring en afasie
2.2 ERVARING EN SENSITIEVE PERIODEN:
2.2.1 ERVARINGSVERWACHTE ONTWIKKELING (EXPERIENCE - EXPECTANT)
• In de ontwikkeling verwachten we dat een speciaal soort ervaringen plaatsvindt tijdens een specifieke
periode (bv. ontwikkeling van de sensorische en motorische systemen)
• Buiten deze begrensde periode is de ontwikkeling of vertraagd of abnormaal
• Sensitieve perioden zijn tijdsvensters waarbinnen die invloed van omgevingsfactoren, in negatieve en
positieve zin, is versterkt (bv. baby’s zijn extra gevoelig voor emotionele signalen en nabijheid van verzorgers,
die hen ondersteunen in de ontwikkeling van een veilige gehechtheidsrelatie)
2.2.2 ERVARINGSAFHANKELIJKE ONTWIKKELING (EX PERIENCE- DEPENDENT)
• Verschilt van individu tot individu
• Stellen ons in staat te leren van onze persoonlijke ervaringen en informatie verkrijgen door ervaringen op te
slaan en te gebruiken voor het oplossen van problemen
• Onafhankelijk van leeftijd
• Hoe ‘stimulusrijker’ de omgeving, hoe beter
4
True or false:
• Het vrouwenbrein is efficiënter dan het mannenbrein? Juist
• Mannen kunnen beter kaartlezen dan vrouwen? Juist (mannen hebben meer abstract inzicht)
• Mannen zijn betere chauffeurs dan vrouwen? Fout
• Vrouwen zijn beter in het ontcijferen van emoties dan mannen? Juist
• Mannen begrijpen vrouwen gewoon echt niet? Juist en fout (vrouwen kunnen emoties beter interpreteren)
• Vrouwen kunnen beter multitasken dan mannen? Juist en fout (mannen worden sneller slecht gezind)
• Mannen zijn beter in wiskunde dan vrouwen? Fout
• Vrouwen voelen meer pijn dan mannen? Juist
• De mannengriep bestaat echt? Juist (mannen hebben meer temperatuurreceptoren in de hersenen)
• Mannen en vrouwen reageren anders op stress? Juist
1 NEUROFYLOGENESE
Neurofylogenese: ontwikkeling van het ZS over miljoenen generaties heen
Neuro- ontogenese: ontwikkeling van het ZS binnen 1 persoon: vanaf de conceptie doorheen de levensloop
• Evolutionaire ontwikkeling: 500 000 000 soorten
• Huidige organismen -> veranderde afstammelingen van voorgaande levende organismen -> verwantschap
in bouwplan!
• Gemeenschappelijk bouwplan MAAR aanpassing aan eigen biotoop! Variaties op gemeenschappelijk
bouwplan
• Oudere delen ZS gaan niet verloren -> vallen onder controle geëvolueerde, hogere delen -> steeds
complexer gedrag wordt mogelijk
• Mens -> meest ontwikkelde brein
- Afmetingen
- Differentiatie hersengebieden
- +/ - miljoen jaar geleden -> groeisnelheid stijgt
- Evolutie?
• Biotoop: bomen
- Klimmen
- Springen
- Dieptezicht noodzakelijk -> stand ogen
, • Klimaatveranderingen
- Savannes -> grassen -> 1m
- Kadavers in savanne -> vlees
- Zelf prooi
- Bipedalisme
➢ Door savanne bewegen
➢ Spotten van prooi
➢ Spotten van gevaar
➢ Verandering anatomie
• Indirect voordeel bipedalisme -> handen komen vrij
- Kracht ontwikkelen
- Stenen slijpen + gooien/ snijden -> visuoruimtelijke vaardigheden, probleemoplossend vermogen, fijne
motoriek
- Botten breken -> fosforrijke eiwitten
-> input hersengroei
• Homo erectus + handen vrij:
- Vuur maken
- Eten roosteren/ grillen
- Kaken via genmutatie kleiner
-> ruimte (fysiek) voor hersengroei
• Lange evolutie -> zeer complex ZS
• Mens wint het in brein en inzicht, niet door sterkte: aanpassingsvermogen
- Hersenvolume x3: 500 cm² -> 1500 cm² in slechts 3 miljoen jaar
➢ ↑ neuronen & verbindingen
- Cognitieve- affectieve functies ↑
• Non- verbale communicatie: via handen + gezichtsexpressie,…
- Gebaren
- Sclera oog -> kijkinrichting
• Ontwikkeling gesproken taal
- Kennis doorgeven -> culturele (r)evolutie
- Belang ondersteunde gebaren in communicatie: link cognitie
- Verwijzing in taal naar ‘handelingen’, evolutie: ‘verstaan’, ‘begrijpen’, ‘benadrukken’, wat is er aan de
‘hand’?
-> input hersenontwikkeling (wisselwerking omgeving)
• Sociale en culturele evolutie:
- Mogelijk door communicatie: doorgeven van verworven kennis
- Gaat veel sneller dan genetische evolutie
➢ Genetisch: verticale overdracht (via genetische variatie en natuurlijke selectie)
➢ Cultureel: verticale en horizontale overdracht
✓ Imitatie: spiegelneuronen
✓ Gedrag of eigenschappen veel sneller aanpassen -> meer controle
- Noodzaak curiositeit -> innovatie
➢ Zit in de genen: nieuwigheid -> gevaar -> bestuderen, observeren, nieuwe routes en invalshoeken
bekijken -> basis creativiteit en talent
• MAAR! Paradoxale brein!
• Ons brein heeft ons een complexe snel veranderde wereld doen ontwerpen
• Ook op sociaal vlak brein slachtoffer van zijn eigen creaties
• Auto- correct humanity
2
,2 NEURO- ONTOGENESE
• Baby doorloopt hele evolutionaire proces v/d primaten op kortere tijd
• Noodzaak ouders/ anderen in omgeving om uiting genen maximaal tot hun recht te laten komen
• Fontanelle: hersenplaat niet volledig gesloten -> brein moet nog uitzetten -> brein wordt beschermd door
een sterk membraan
• Hersenen laten uitzetten na geboorte
• Brein moet dan hele ontwikkeling afleggen
- Genetisch veel kansen
- Tot uiting komen -> afhankelijk van omgevingsstimulatie
- Bedrading vormen
- Interactie nature- nuture!
• Postnatale ontwikkeling van het brein
- Volume brein ↑
- Schedelplaten groeien mee
- Schedel wordt vastgezet -> plooien hersenschors (+/- regelmaat)
• Functionele ontwikkeling van het brein
- Richting: van achter naar voor
- 5 j – 20j
- Blauw = ‘klaar’: overtollige grijze stof verdwijnen: pruning -> specialisatie +
efficiëntie overblijvende verbindingen
- Leren
- Brain development
• Leren -> connecties opbouwen in het brein tussen de zenuwcellen
• Lerend brein
• 150 miljard zenuwcellen (neuronen) -> elk +/- 10000 verbindingen vormen
• Leren, herhalen, oefenen (ook zo bij een patiënt met hersenschade)
• ZS verandert continu onder input van zintuigen
- Positief en negatief
➢ Stimuleren baby >< baby laten liggen in wieg
- Hersenen dynamisch! Niet statisch!
➢ Belang feedback (manier waarop ergo feedback geeft aan patiënt is cruciaal)
• Neuroplasticiteit = verwijst naar hoe (kennis en ervarings) netwerken in de hersenen veranderen door
organisatie en reorganisatie in reactie op ervaring en sensorische stimulering
2.1 ONTWIKKELINGSPROCESSEN VAN HET BREIN
• 2 onderscheiden perioden: prenatale en postnatale ontwikkeling
• Embryologische ontwikkeling bestaat uit een reeks goed gecoördineerde complexe processen
a. Beginpositie vd cellen
b. Start celdeling
c. Einde celdeling
d. Start celmigratie
e. Einde celmigratie
f. Start cel differentiatie (axon- en dendrietvorming)
g. Verder cel differentiatie
h. Vorming van connecties (synaptogenese en myelinisatie)
i. Geprogrammeerde celdood (apoptose): cellen worden verwijderd -> bv. vorming van vingers vanuit
een klomp
j. Synaptische reorganisaties
3
, Profileratie:
• Neurogenese of celproliferatie (van neuronen en gliacellen)
• 200000 neuronen/ min
• Proliferatie start in de gebieden die fylogenetisch het oudst zijn en eindigt met de fylogenetisch jongste
gebieden
Volwassenen neurogenese:
• De hersenen blijven zich vernieuwen (nieuwe cellen, zelfvernieuwing, reorganisatie, integratie in bestaande
neuronale circuits,…) = neuroplasticiteit
• Kan beïnvloed worden door ervaring/ omgeving
• Beschadigde neuronen kunnen moeilijk hersteld worden
Celmigratie:
• Ontwikkeling naar de plaats waar ze hun functie zullen krijgen (migreren)
• Kan door interne als externe factoren verstoord worden
Doelbestemming en differentiatie:
• Differentiatie = vorming van dendrieten en axonen en hun functie (cerebrale circuits) -> communicatie of
informatie- uitwisseling tussen gebieden
• Sprouting (groei van vertakkingen)
• Juiste richting en doelselectie
Synaptogenese:
• Vorming van nieuwe synapsen
• Synaptische dichtheid (regio- verschillend)
• Proces zet zich verder tot in de adolescentie
Myelinisatie:
• De axonen worden voorzien van een beschermlaag, myeline
• Invloed op de snelheid van informatietransmissie
• Myelinisatie loopt in verschillende stappen en is regiospecifiek (proximaal voor distaal, sensorisch voor
motorisch, posterieur voor anterieur, projectiegebied voor associatiegebied)
Overproductie:
• In het begin teveel neuronen -> geprogrammeerde celdood of apoptose
Overproductie en regressieve perioden:
In het begin teveel neuronen
• Geprogrammeerde celdood of apoptose
• Synapselimentatie of pruning (ervaringsafhankelijk ‘use it or lose is’)
Een synaptische verbinding is succesvol wanneer het frequent wordt gebruikt en opgenomen is in een functioneel
netwerk van synaptische verbindingen -> ifv externe stimulering -> bv. taal en kinderen, taalverwarring en afasie
2.2 ERVARING EN SENSITIEVE PERIODEN:
2.2.1 ERVARINGSVERWACHTE ONTWIKKELING (EXPERIENCE - EXPECTANT)
• In de ontwikkeling verwachten we dat een speciaal soort ervaringen plaatsvindt tijdens een specifieke
periode (bv. ontwikkeling van de sensorische en motorische systemen)
• Buiten deze begrensde periode is de ontwikkeling of vertraagd of abnormaal
• Sensitieve perioden zijn tijdsvensters waarbinnen die invloed van omgevingsfactoren, in negatieve en
positieve zin, is versterkt (bv. baby’s zijn extra gevoelig voor emotionele signalen en nabijheid van verzorgers,
die hen ondersteunen in de ontwikkeling van een veilige gehechtheidsrelatie)
2.2.2 ERVARINGSAFHANKELIJKE ONTWIKKELING (EX PERIENCE- DEPENDENT)
• Verschilt van individu tot individu
• Stellen ons in staat te leren van onze persoonlijke ervaringen en informatie verkrijgen door ervaringen op te
slaan en te gebruiken voor het oplossen van problemen
• Onafhankelijk van leeftijd
• Hoe ‘stimulusrijker’ de omgeving, hoe beter
4