DEEL II: muziekgeschiedenis
HOOFDSTUK 1: De muziek in de middeleeuwen
A. Het ontstaan van het gregoriaans
1. Cultuurhistorische context
1.1 Opkomst van het christendom
Ontstaan Westerse muziek is parallel met bloei christendom als dominante religie in WEuropa.
Hele ME is het christendom dominant in culturele leven in W‐Europa. Ook geschiedenis muziek is
fundamenteel bepaald doordat dominante christendom.
Muziek in vroege christendom sterk beïnvloed door lokale tradities. Verspreiding van
muziek was oraal = problematisch om nu een betrouwbaar totaalbeeld te geven van
het repertoire.
Wel poging paus Gregorius +- 600: de toen gangbare gezangen verzamelen en ordenen.
Deze eenstemmige gezangen = het gregoriaans.
1.2 Organisatie van het kerkelijk jaar
Gregoriaans is georganiseerd ifv bestaande liturgie (strakke organisatie bepaald door verschillende
factoren: organisatie kerkelijk jaar, ‘dagorde’,…).
1. Organisatie van het kerkelijk jaar:
Organisatie in grote cycli: 3 kringen, elk gecentreerd rond kerstmis, pasen en pinksteren.
o Kerstkring: advent, kersttijd, periode na feest van de Epifani tot begin paaskring
o Paaskring: voorbereiding (vasten), paastijd
o De tijd na Pinksteren: begint feest van Heilige Drievuldigheid.
Proprium de tempore: specifieke gezangen die voorzien door greg. Lit. op bovensaande dagen.
Indeling volgens heiligenkalender: iedere dag specifieke heiligen herdacht waarbij specifieke
gezangen zijn voor sommige heiligen (= proprium sanctorum)
2. Organisatie van de dag (de dagorde):
De mis: herdenking offer Christus, dagelijks hoogtepunt liturgie.
o Onderverdeeld in voormis en offermis
o Verschillende gezangen voorzien, onderverdeel in ordinarium (gezangen die dagelijks
terugkeren in bep. periodes) en proprium (gezangen specifiek voor bepaalde dagen)
Officie: vooral ontwikkeld in strenge dagorde van klooster. Bevat getijden/gebedsuren.
o Tijdens gebesuren: 1 week 150 psalmen van gregoriaans afgewerkt
o Bij getijden: lezing uit Bijbel gevolgd door reponsorium.
Alle gezangen uit mis en officie samengebracht in liturgische boeken: ‘Graduale” en ‘Antiphonale’.
,2 Muzikale eigenschappen
2.1 Het modale toonsysteem
= Gregoriaans is geconcipieerd binnen het modale toonsysteem = hier worden 8 modi (=wijze waarop
de hele en halve tonen worden geordend tov de finalis en elkaar) onderscheiden die elk verschillende
verdeling van het octaaf in hele en halve tonen hanteren.
4 authentieke basismodi: in elk van de modi liggen de halve tonen op verschillende plaatsen
Aangezien het modale systeem uitsluitend gebruik maakt van de tonen re, mi, fa, sol, la, si en
do, liggen de halve tonen op verschillende plaatsen:
o Dorische: re-modus
o Frygische: mi-modus
o Lydische: fa-modus
o Mixolydische: sol-modus
de finalis van deze modi zijn dus re, mi, fa en sol
Naast de finalis, worden de modi ook gekarakteriseerd door hun repercussa of
dominant (meest prominente toon in een modus, waarrond het grootste deel
van de melodie cirkelt )
4 plagale, afgeleide modi
Schematisch overzicht modaal toonsysteem. Vet = finalis / onderlijnd = repercussa / *= halve toon
, 2.2 Vormen en genres
= Eigenheid genres hangt samen met plaats die ze innemen in de liturgie (zie mis en officie). Bij de
karakterisering van de genres moet ook rekening gehouden worden met:
Tekstzetting:
Syllabische zetting = 1 toon gezongen per lettergreep (1 noot - 1 lettergreep)
Neumatische zetting = meerdere (2 a 3) tonen gezongen per lettergreep
Melismatische zetting = > 3 tonen gezongen per lettergreep
kan afwisselen in zelfde compositie
Uitvoeringswijze:
Direchte psalmodie = gezongen door 1 of meer voorzangers samen
Responsoriaal gezang = afwisseling tussen een voorzanger en een koor
Antifonaal gezang = 2 koorhelften wisselen elkaar af
geeft variatie. Belangrijk: impact op latere muziek.
Vanaf ca 800 troperen = bestaande composities worden van binnenuit veranderd door nieuwe
elementen toe te voegen (bv. louter muzikale elementen (=melismen), tekst of beide).
Bijzonder vorm: sequentia: ontstaan vanuit toevoeging van teksten aan melismatische
alleluia (genre officie)
2.3 Melodie en tekstplaatsing
Gregoriaanse melodie:
Gregoriaanse muziek is monofoon = klemtoon op ontwikkeling van melodie.
Hebben een Ambitus (= afstand tussen laagste en hoogste noot in bepaalde compositie) van
een octaaf (= klein, maken kleine intervallen in gregoriaanse muziek. Grotere intervallen zijn
uitzonderlijk)
Organisatie van melodie vertrekt vanuit tekst (rustpunten in melodie = rustpunten in tekst)
2.4 Metrum en ritme
Nog geen sprake van vaste metra in het Gregoriaans.
Wel al ritmische verhoudingen aangegeven boven de tekst (in neumen)
Werd geleidelijk verfijnd ritmische aanduidingen preciezer.
2.5 Dynamiek
Niet veel info, voordracht was eerder egaal (creeert mee de sfeer van religieuze muziek)
HOOFDSTUK 1: De muziek in de middeleeuwen
A. Het ontstaan van het gregoriaans
1. Cultuurhistorische context
1.1 Opkomst van het christendom
Ontstaan Westerse muziek is parallel met bloei christendom als dominante religie in WEuropa.
Hele ME is het christendom dominant in culturele leven in W‐Europa. Ook geschiedenis muziek is
fundamenteel bepaald doordat dominante christendom.
Muziek in vroege christendom sterk beïnvloed door lokale tradities. Verspreiding van
muziek was oraal = problematisch om nu een betrouwbaar totaalbeeld te geven van
het repertoire.
Wel poging paus Gregorius +- 600: de toen gangbare gezangen verzamelen en ordenen.
Deze eenstemmige gezangen = het gregoriaans.
1.2 Organisatie van het kerkelijk jaar
Gregoriaans is georganiseerd ifv bestaande liturgie (strakke organisatie bepaald door verschillende
factoren: organisatie kerkelijk jaar, ‘dagorde’,…).
1. Organisatie van het kerkelijk jaar:
Organisatie in grote cycli: 3 kringen, elk gecentreerd rond kerstmis, pasen en pinksteren.
o Kerstkring: advent, kersttijd, periode na feest van de Epifani tot begin paaskring
o Paaskring: voorbereiding (vasten), paastijd
o De tijd na Pinksteren: begint feest van Heilige Drievuldigheid.
Proprium de tempore: specifieke gezangen die voorzien door greg. Lit. op bovensaande dagen.
Indeling volgens heiligenkalender: iedere dag specifieke heiligen herdacht waarbij specifieke
gezangen zijn voor sommige heiligen (= proprium sanctorum)
2. Organisatie van de dag (de dagorde):
De mis: herdenking offer Christus, dagelijks hoogtepunt liturgie.
o Onderverdeeld in voormis en offermis
o Verschillende gezangen voorzien, onderverdeel in ordinarium (gezangen die dagelijks
terugkeren in bep. periodes) en proprium (gezangen specifiek voor bepaalde dagen)
Officie: vooral ontwikkeld in strenge dagorde van klooster. Bevat getijden/gebedsuren.
o Tijdens gebesuren: 1 week 150 psalmen van gregoriaans afgewerkt
o Bij getijden: lezing uit Bijbel gevolgd door reponsorium.
Alle gezangen uit mis en officie samengebracht in liturgische boeken: ‘Graduale” en ‘Antiphonale’.
,2 Muzikale eigenschappen
2.1 Het modale toonsysteem
= Gregoriaans is geconcipieerd binnen het modale toonsysteem = hier worden 8 modi (=wijze waarop
de hele en halve tonen worden geordend tov de finalis en elkaar) onderscheiden die elk verschillende
verdeling van het octaaf in hele en halve tonen hanteren.
4 authentieke basismodi: in elk van de modi liggen de halve tonen op verschillende plaatsen
Aangezien het modale systeem uitsluitend gebruik maakt van de tonen re, mi, fa, sol, la, si en
do, liggen de halve tonen op verschillende plaatsen:
o Dorische: re-modus
o Frygische: mi-modus
o Lydische: fa-modus
o Mixolydische: sol-modus
de finalis van deze modi zijn dus re, mi, fa en sol
Naast de finalis, worden de modi ook gekarakteriseerd door hun repercussa of
dominant (meest prominente toon in een modus, waarrond het grootste deel
van de melodie cirkelt )
4 plagale, afgeleide modi
Schematisch overzicht modaal toonsysteem. Vet = finalis / onderlijnd = repercussa / *= halve toon
, 2.2 Vormen en genres
= Eigenheid genres hangt samen met plaats die ze innemen in de liturgie (zie mis en officie). Bij de
karakterisering van de genres moet ook rekening gehouden worden met:
Tekstzetting:
Syllabische zetting = 1 toon gezongen per lettergreep (1 noot - 1 lettergreep)
Neumatische zetting = meerdere (2 a 3) tonen gezongen per lettergreep
Melismatische zetting = > 3 tonen gezongen per lettergreep
kan afwisselen in zelfde compositie
Uitvoeringswijze:
Direchte psalmodie = gezongen door 1 of meer voorzangers samen
Responsoriaal gezang = afwisseling tussen een voorzanger en een koor
Antifonaal gezang = 2 koorhelften wisselen elkaar af
geeft variatie. Belangrijk: impact op latere muziek.
Vanaf ca 800 troperen = bestaande composities worden van binnenuit veranderd door nieuwe
elementen toe te voegen (bv. louter muzikale elementen (=melismen), tekst of beide).
Bijzonder vorm: sequentia: ontstaan vanuit toevoeging van teksten aan melismatische
alleluia (genre officie)
2.3 Melodie en tekstplaatsing
Gregoriaanse melodie:
Gregoriaanse muziek is monofoon = klemtoon op ontwikkeling van melodie.
Hebben een Ambitus (= afstand tussen laagste en hoogste noot in bepaalde compositie) van
een octaaf (= klein, maken kleine intervallen in gregoriaanse muziek. Grotere intervallen zijn
uitzonderlijk)
Organisatie van melodie vertrekt vanuit tekst (rustpunten in melodie = rustpunten in tekst)
2.4 Metrum en ritme
Nog geen sprake van vaste metra in het Gregoriaans.
Wel al ritmische verhoudingen aangegeven boven de tekst (in neumen)
Werd geleidelijk verfijnd ritmische aanduidingen preciezer.
2.5 Dynamiek
Niet veel info, voordracht was eerder egaal (creeert mee de sfeer van religieuze muziek)