Maatschappelijke instituties: alle gewoontes, gebruiken, normen en waarden van organisaties die
leiden tot vaste patronen waarbinnen wij ons gedragen binnen de samenleving.
Arbeidsverhoudingen: maatschappelijke instituties waarbinnen arbeidsruil plaatsvindt.
Onderhandelen in werkgevers- en werknemersorganisaties, machtsniveau. Collectief en op
institutioneel niveau.
Drie niveaus van arbeidsverhoudingen (gekoppeld aan instituties)
- Macro: landelijk of Europees of wereldniveau (stichting van de arbeid, sociaal economische
raad, sociale partners)
- Meso: branches of bedrijfstak (collectieve arbeidsovereenkomst, vakbonden)
- Micro: verhoudingen binnen het bedrijf (ondernemingsraad, raad van bestuur, raad van
commissarissen, HRM)
Machtsverhoudingen worden beïnvloed door:
- Maatschappelijke ontwikkelingen (opleidingsniveau, emancipatie van vrouwen)
- Politieke verhoudingen (linkse of rechtse meerderheid maakt uit voor arbeidswetgeving)
- Economische verhoudingen (slechte economie is slecht en hoge werkloosheid, goede
economie hebben werknemers weer een sterkere positie)
- Organisatiekracht (aantal leden van de organisatie of bereidheid van de leden om in actie te
komen)
- Internationale ontwikkelingen (arbeidsmigratie, Polen, producten uit China)
Poldermodel: werkgevers, vakbonden en overheid (overlegeconomie). Model in Nederland waarin
we streven om conflicten te voorkomen en het algemeen belang te dienen. Krijgt vorm in het maken
van afspraken op landelijk niveau, centraal niveau en macroniveau. Veel afspraken worden gemaakt
op macroniveau. Is typisch voor Nederland.
Belangrijke instituties voor overleg:
- Stichting van de arbeid: bevorderen van goede arbeidsverhoudingen in Nederland. Centraal
akkoord: wanneer er afspraken zijn gemaakt en gevormd.
- Sociaal economische raad: publiekrechtelijk. Adviseert de regering over alle belangrijke
sociaal economische vraagstukken. 11 vakcentrales, 11 werkgeverscentrales en 11
kroonleden op grond van deskundigheid.
- Voorjaarsoverleg en najaarsoverleg: het bestuur van de Stichting van de arbeid komt in
overleg met het kabinet om te kijken of het lukt om afspraken te maken over de sociaal
economische ontwikkelingen. Lukt dat, dan heb je een sociaal akkoord.
Het verschil tussen centraal akkoord en sociaal akkoord is dat bij een sociaal akkoord ook de
overheid bij de afspraken wordt betrokken omdat er bijv. wetten moeten worden aangepast.
Kenmerken arbeidsverhoudingen in Nederland
- Er wordt veel overlegd, streven naar consensus
- Vermaatschappelijking: veel regels en instituties om zaken in goede banen te leiden
- Lonen stijgen langzaam maar geleidelijk.
- Weinig staking
- Organisatiegraad: laag percentage leden van de vakbond. Bij werkgevers is de
organisatiegraad juist heel hoog.
leiden tot vaste patronen waarbinnen wij ons gedragen binnen de samenleving.
Arbeidsverhoudingen: maatschappelijke instituties waarbinnen arbeidsruil plaatsvindt.
Onderhandelen in werkgevers- en werknemersorganisaties, machtsniveau. Collectief en op
institutioneel niveau.
Drie niveaus van arbeidsverhoudingen (gekoppeld aan instituties)
- Macro: landelijk of Europees of wereldniveau (stichting van de arbeid, sociaal economische
raad, sociale partners)
- Meso: branches of bedrijfstak (collectieve arbeidsovereenkomst, vakbonden)
- Micro: verhoudingen binnen het bedrijf (ondernemingsraad, raad van bestuur, raad van
commissarissen, HRM)
Machtsverhoudingen worden beïnvloed door:
- Maatschappelijke ontwikkelingen (opleidingsniveau, emancipatie van vrouwen)
- Politieke verhoudingen (linkse of rechtse meerderheid maakt uit voor arbeidswetgeving)
- Economische verhoudingen (slechte economie is slecht en hoge werkloosheid, goede
economie hebben werknemers weer een sterkere positie)
- Organisatiekracht (aantal leden van de organisatie of bereidheid van de leden om in actie te
komen)
- Internationale ontwikkelingen (arbeidsmigratie, Polen, producten uit China)
Poldermodel: werkgevers, vakbonden en overheid (overlegeconomie). Model in Nederland waarin
we streven om conflicten te voorkomen en het algemeen belang te dienen. Krijgt vorm in het maken
van afspraken op landelijk niveau, centraal niveau en macroniveau. Veel afspraken worden gemaakt
op macroniveau. Is typisch voor Nederland.
Belangrijke instituties voor overleg:
- Stichting van de arbeid: bevorderen van goede arbeidsverhoudingen in Nederland. Centraal
akkoord: wanneer er afspraken zijn gemaakt en gevormd.
- Sociaal economische raad: publiekrechtelijk. Adviseert de regering over alle belangrijke
sociaal economische vraagstukken. 11 vakcentrales, 11 werkgeverscentrales en 11
kroonleden op grond van deskundigheid.
- Voorjaarsoverleg en najaarsoverleg: het bestuur van de Stichting van de arbeid komt in
overleg met het kabinet om te kijken of het lukt om afspraken te maken over de sociaal
economische ontwikkelingen. Lukt dat, dan heb je een sociaal akkoord.
Het verschil tussen centraal akkoord en sociaal akkoord is dat bij een sociaal akkoord ook de
overheid bij de afspraken wordt betrokken omdat er bijv. wetten moeten worden aangepast.
Kenmerken arbeidsverhoudingen in Nederland
- Er wordt veel overlegd, streven naar consensus
- Vermaatschappelijking: veel regels en instituties om zaken in goede banen te leiden
- Lonen stijgen langzaam maar geleidelijk.
- Weinig staking
- Organisatiegraad: laag percentage leden van de vakbond. Bij werkgevers is de
organisatiegraad juist heel hoog.