Week 1
“Hoe kan ik ervoor zorgen dat de consument mijn producten koopt?”
Rationeel = Alle opties overwegen en de beste optie (laagste prijs) kiezen
Vb. Alle onderdelen van een schoen afwegen
Heuristieken = korte verbindingen in je brein die ervoor zorgen dat je niet alles hoeft te overwegen
en dus snelle beslissingen kan nemen.
Selectieve perceptie = Dingen waarnemen die bevestigen wat jij bevestigd wil zien
Vb. Roken mijn oma is 90 jaar en die heeft 50 jaar gerookt, dus je kan gwn oud worden met roken
Vb. Merkkleding alle positieve ervaringen met de polo slaat je brein op, negatief niet. Alleen wat
je wil horen. Je slaat op als een B-merk slechter scoort.
Mensen zijn irrationeel
Framing = dat je 2 keer precies hetzelfde zegt op een andere manier door middel van woordgebruik
of visueel. Dit beïnvloed de mening die mensen hebben over een product.
Vb. 10% vet of 90% vetvrij, bedtijd BB
Voorbeeld van Framing = Ankering = het referentiekader eerst bij een heel duur product te plaatsen
om vervolgens naar een goedkoper, maar nog duur, product te plaatsen.
Vb. dure tv en dan goedkopere tv
Nudging = een duwtje in een bepaalde richting geven. / heel bewust het onbewuste beïnvloeden.
Vb. Coolbest en appelsientje. Coolbest ligt in de koeling en wordt geassocieerd met vers, terwijl
appelsientje nagenoeg hetzelfde product is. Coolbest is ook duurder hierdoor
Vb. Pianotrap vs roltrap. Trap ziet er leuker uit en is dus aantrekkelijker.
Vb. Efteling, papier hier.
Consumentengedrag = al het gedrag dat de consument vertoont bij het zoeken naar, het kopen, het
gebruiken / verbruiken, het evalueren en het zich ontdoen van producten / diensten / ideeën.
6 Stappen consumentengedrag / beslissingsproces / customer journey
Behoefte vaststellen
Informatie verzamelen
Informatie evalueren
Producten kopen
Gebruiken
Evalueren
, Week 2
Cultuur = “Alles wat mensen hebben, denken en doen als leden van hun maatschappij.”
Je kan redeneren als de maatschappij is Nederland, westerse landen, de klas, enz.
Cultuur gaat dus over grote groepen, maar ook over kleine groepen.
Kernwoorden zijn = hebben, denken en doen
Waarden, overtuigingen, normen en gewoonten moet je kennen voor het tentamen.
1. Een norm is een gedragsregel wat je van jongs af aan wordt aangeleerd.
Vb. bord leeg eten, niet boeren aan tafel.
2. Waarden zijn centrale ideeën .
Vb. woorden die eindigen op -heid, zoals onafhankelijkheid, gelijkheid
3. Gewoonten zijn dingen die je doet op specifieke momenten.
Vb. thee met een koekje om 8 uur. Sinterklaas op 5 december. Boerenkool eten in de winter.
4. Overtuigingen zijn gedachten.
Vb. roze is voor vrouwen. Mannen kunnen geen 2 dingen tegelijk.
Subcultuur is een cultuur binnen een kleine groep mensen.
Vb. motorrijders hebben een eigen cultuur.
Etnomarketing heeft te maken met etniciteit.
Vb. Dove, voor het douchen een donkere vrouw en na het douchen een blanke vrouw (schoon
worden).
Is heel gevoelig, cultuur ligt gevoelig.
Belangrijkste punten cultuur:
- Betekenis
- Kan groot of klein zijn
- 4 begrippen
“Hoe kan ik ervoor zorgen dat de consument mijn producten koopt?”
Rationeel = Alle opties overwegen en de beste optie (laagste prijs) kiezen
Vb. Alle onderdelen van een schoen afwegen
Heuristieken = korte verbindingen in je brein die ervoor zorgen dat je niet alles hoeft te overwegen
en dus snelle beslissingen kan nemen.
Selectieve perceptie = Dingen waarnemen die bevestigen wat jij bevestigd wil zien
Vb. Roken mijn oma is 90 jaar en die heeft 50 jaar gerookt, dus je kan gwn oud worden met roken
Vb. Merkkleding alle positieve ervaringen met de polo slaat je brein op, negatief niet. Alleen wat
je wil horen. Je slaat op als een B-merk slechter scoort.
Mensen zijn irrationeel
Framing = dat je 2 keer precies hetzelfde zegt op een andere manier door middel van woordgebruik
of visueel. Dit beïnvloed de mening die mensen hebben over een product.
Vb. 10% vet of 90% vetvrij, bedtijd BB
Voorbeeld van Framing = Ankering = het referentiekader eerst bij een heel duur product te plaatsen
om vervolgens naar een goedkoper, maar nog duur, product te plaatsen.
Vb. dure tv en dan goedkopere tv
Nudging = een duwtje in een bepaalde richting geven. / heel bewust het onbewuste beïnvloeden.
Vb. Coolbest en appelsientje. Coolbest ligt in de koeling en wordt geassocieerd met vers, terwijl
appelsientje nagenoeg hetzelfde product is. Coolbest is ook duurder hierdoor
Vb. Pianotrap vs roltrap. Trap ziet er leuker uit en is dus aantrekkelijker.
Vb. Efteling, papier hier.
Consumentengedrag = al het gedrag dat de consument vertoont bij het zoeken naar, het kopen, het
gebruiken / verbruiken, het evalueren en het zich ontdoen van producten / diensten / ideeën.
6 Stappen consumentengedrag / beslissingsproces / customer journey
Behoefte vaststellen
Informatie verzamelen
Informatie evalueren
Producten kopen
Gebruiken
Evalueren
, Week 2
Cultuur = “Alles wat mensen hebben, denken en doen als leden van hun maatschappij.”
Je kan redeneren als de maatschappij is Nederland, westerse landen, de klas, enz.
Cultuur gaat dus over grote groepen, maar ook over kleine groepen.
Kernwoorden zijn = hebben, denken en doen
Waarden, overtuigingen, normen en gewoonten moet je kennen voor het tentamen.
1. Een norm is een gedragsregel wat je van jongs af aan wordt aangeleerd.
Vb. bord leeg eten, niet boeren aan tafel.
2. Waarden zijn centrale ideeën .
Vb. woorden die eindigen op -heid, zoals onafhankelijkheid, gelijkheid
3. Gewoonten zijn dingen die je doet op specifieke momenten.
Vb. thee met een koekje om 8 uur. Sinterklaas op 5 december. Boerenkool eten in de winter.
4. Overtuigingen zijn gedachten.
Vb. roze is voor vrouwen. Mannen kunnen geen 2 dingen tegelijk.
Subcultuur is een cultuur binnen een kleine groep mensen.
Vb. motorrijders hebben een eigen cultuur.
Etnomarketing heeft te maken met etniciteit.
Vb. Dove, voor het douchen een donkere vrouw en na het douchen een blanke vrouw (schoon
worden).
Is heel gevoelig, cultuur ligt gevoelig.
Belangrijkste punten cultuur:
- Betekenis
- Kan groot of klein zijn
- 4 begrippen