Antwoorden studieactiviteiten
Hoofdstuk 1
1 Anatomie is het onderzoek van de bouw en vorm van (delen van) het menselijk lichaam.
2 Fysiologie is het onderzoek van de functie en werking van (delen van) het menselijk
lichaam.
3 beenlengteverschil: anatomie bloeddruk: fysiologie hartslag: fysiologie lengte van de
dunne darm: anatomie lichaamstemperatuur: fysiologie ligging van de hersenslagader:
anatomie schedelomtrek: anatomie spierkracht: fysiologie vorm van de halswervels:
anatomie zuurstofverbruik: fysiologie
4 Anatomie en fysiologie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, omdat de bouw van een
orgaan bepalend is voor de functiemogelijkheden van dat orgaan. Andersom kan de
functie van een orgaan tot op zekere hoogte de bouw bepalen. Er is in ieder geval altijd
een verband tussen bouw en functie.
5 Bij palpatie tast je de buitenkant van het lichaam af met je vingers. Bij percussie klop je
met je vingers op het lichaam.
6 Met auscultatie kun je horen: het kloppen van het hart (1), de luchtstoom in de longen
(2), bewegingen (‘borrelen’) van de darmen (3).
7 Voorbeelden van laboratoriumonderzoek zijn: urineonderzoek, bloedonderzoek, sperma-
onderzoek, speekselonderzoek, weefselonderzoek en ontlastingonderzoek.
8 Bij röntgenonderzoek ontstaat een skeletportret.
9 De arts kan dat doen met echoscopisch of echografisch onderzoek.
Hoofdstuk 2
1 De terminologia anatomica is het vakjargon in de medische wereld. Het is
een internationaal afgesproken naamgeving van de termen in de anatomie
en fysiologie.
2 arteria = slagader cortex = schors femur = dijbeen musculus = spier nervus =
zenuw pancreas = alvleesklier patella = knieschijf peritoneum = buikvlies
vena = ader
3 -
4 De eigenschappen van de standaardmens bij de anatomie en fysiologie zijn:
mannelijk; 25 jaar oud; 1,75 m lang; gezond; gemiddelde lichaamsbouw en
70 kg zwaar.
,Hoofdstuk 3
1 De kleinste bouweenheid van het menselijk lichaam is de cel.
2 Het geleiachtige vocht in de cel heet celplasma.
3 De celkern is het grootste organel van de cel.
4 Dat komt omdat de celkern alle stofwisselingsactiviteiten van de cel aanstuurt.
5 De functie van mitochondriën is de energievoorziening van de cel.
6 De laag rondom de celkern is de kernmembraan.
7 De chromosomen zitten in de celkern.
8 De celkern, de ribosomen en het endoplasmatisch reticulum zijn betrokken bij de
aanmaak van eiwitten in de cel.
9 Dan komen agressieve enzymen vrij die de cel van binnenuit kunnen vernietigen.
10 De celmembraan is waterafstotend doordat de vetstaarten van de dubbele
fosfolipidenlagen tegen elkaar aan liggen.
11 Vergelijk jullie tekening met de afbeelding in het boek.
Hoofdstuk 4
1 In de cel is de intracellulaire ruimte; buiten de cel is de extracellulaire ruimte.
2 Je noemt osmose en diffusie ‘passief’ transport omdat de cel er zelf geen moeite voor
hoeft te doen; het kost de cel geen energie.
3 a De waterstroom gaat van buiten de cel naar binnen de cel. b Het
celplasma heeft veel meer stoffen in oplossing en zuigt daardoor water aan. c Dit is
osmose (opmerking: je mag ook zeggen ‘diffusie van water’).
4 Een halfdoorlaatbaar vlies is een vlies waar alleen water en gassen doorheen kunnen.
Grotere deeltjes kunnen het vlies niet passeren.
5 Water en gassen, dat zijn hele kleine moleculen.
6 Endocytose, fagocytose en enzymatische pomp zijn vormen van actief transport.
7 Blaasjestransport waarbij stoffen de cel uitgewerkt worden noem je exocytose.
8 Controleer je tekening aan de hand van de afbeelding in het boek.
Hoofdstuk 5
1 Bio komt van ‘bios’ (= leven) en chemie is de wetenschappelijke naam voor ‘scheikunde’.
Biochemie betekent dus scheikunde in het levende wezen.
2 Dissimilatie = katabole reactie = afbraakreactie
3 Bij katabole stofwisselingsreacties komt energie vrij. Bij anabole reacties wordt energie
gebruikt.
4 Bij verbranding van glucose ontstaan koolstofdioxide, water en energie.
, 5 In je skeletspieren vindt wel eens dissimilatie zonder zuurstof plaats.
6 ADP wordt ook wel een bioaccu genoemd omdat het energie kan opslaan.7 De met
energie opgeladen ‘bioaccu’ heet ATP (adenosinetrifosfaat) 8 Enzymen versnellen
stofwisselingsreacties.
9 Enzymen zijn eiwitten.
10 De cel maakt de enzymen zelf door middel van het proces van eiwitsynthese.
Hoofdstuk 6
1 De drie fasen in de levensloop van een cel zijn: delingsfase, groeifase en functionele fase.
2 Het doel van de celdeling is om uit één cel twee precies dezelfde cellen te krijgen.
3 Elke dochtercel heeft na de celdeling 46 chromosomen.
4 Chromosomen besturen de stofwisselingsreacties van de cel en bevatten de erfelijke
eigenschappen. Als het aantal chromosomen niet klopt, kan de cel niet functioneren.
5 Stamcellen zijn cellen die nog nauwelijks zijn gedifferentieerd. Ze kunnen delen.
6 Gedifferentieerde cellen van de meeste weefsels verouderen en gaan dood. Ze moeten
worden vervangen en dat kan dan vanuit de stamcellen.
7 De stamcellen van bloed zitten in het rode beenmerg.
8 Bindweefselcel, dwarsgestreepte spiervezel, hartspiercel, rode bloedcel, witte bloedcel,
huidcel, zaadcel, eicel, kliercel, kraakbeencel.
Hoofdstuk 7
1 Een weefsel is een groep samenwerkende cellen met dezelfde bouw en een
gemeenschappelijk functie.
2 De slijtfunctie betekent dat de oppervlakkige cellaag aan de ‘vrije’ kant af mag slijten.
3 Dekweefsel bevat geen bloedvaten, dus als de cellen beschadigen, komt er geen
bloeding. Dekweefsel blijft altijd delen, dus de afgesleten cellen worden telkens
aangevuld.
4 belang rijkste belang rijkste plaats in het
eigenschap van functie(s) lichaam
de cellen
plaveisel platte transport longblaasjes
epitheel dekweefselcellen
kubisch blokvormige afscheiding wand van
epitheel cellen klierbuizen
cilindrisch langwerpige transport en wand van de
epitheel cellen afscheiding dunne darm
trilhaar cellen met aan afvoeren van wand van de
epitheel de vrije kant vuiltjes luchtpijp
trilharen