Samenvatting Gleitman H7 leren
Leren is het ontwikkelen van nieuwe vaardigheden, het verwerven van nieuwe kennis en
meer. Volgens sommige filosofen is leren het creëren van associaties (verschillende dingen met
elkaar in verband brengen). Het meer complexe leren berustte op het creëren van meer associaties.
De simpelste vorm van leren is habituation (gewenning), de afname in de respons van een
organisme naarmate een stimulus bekend wordt. Dit is handig aangezien we onze aandacht willen
richten op onbekende, misschien gevaarlijke, stimuli. Hoe werkt het?
1. Stimulus/ prikkel reactie
2. Als de stimulus herhaaldelijk wordt aangeboden vermindert de respons.
3. Na de stimulus een paar keer gehoord te hebben reageert het organisme er niet op.
Het tegenovergestelde is dishabituation, een toename in de respons van een organisme nadat een
bekende stimulus opeens veranderd. Dit is belangrijk omdat een verandering in een bekende
stimulus vaak belangrijk nieuws brengt.
Pavlov en de geconditioneerde reactie
Een belangrijke wetenschapper die onderzoek deed naar dit soort relaties en associaties was Pavlov.
Tijdens zijn onderzoeken creëerde Pavlov patronen voor de dieren om te ontdekken. Dit deed hij
door met een bel te rinkelen voor de dieren eten te geven. De dieren begonnen na een tijdje al te
kwijlen zodra ze de bel hoorden. Om dit patroon te omschrijven onderscheidde Pavlov twee
soorten reacties:
- De ongeconditioneerde respons (UR): was een biologisch bepaalde reflex die werd veroorzaakt door
een ongeconditioneerde stimulus (US), onafhankelijk van het leren.
In het voorgaande verhaal is het eten in de mond van het dier de US en de UR is kwijlen. De link
tussen de US en de UR is iets dat het dier zelf aan de situatie toevoegt en wat dus niet geleerd is bij
het conditioneren, waardoor de stimulus en de respons ongeconditioneerd zijn.
- De geconditioneerde respons (CR): een product van leren, veroorzaakt door een geconditioneerde
stimulus (CS), die in eerste instantie neutraal was.
Net als de UR wordt de CR veroorzaakt door een stimulus, maar die stimulus was neutraal
aan het begin van het leren. In het voorbeeld is dit de bel en deze wordt een geconditioneerde
stimulus (CS) genoemd.
- Klassieke conditionering: een vorm van leren waarbij de relatie tussen 2 stimulus worden
gekoppeld. Dit leren vindt niet in één keer plaats, maar verloopt geleidelijk en de kracht van de CR
groeit wanneer het dier de combinatie van CS en US vaker ervaart.
- Operante conditionering (instrumentele conditionering): het leerproces waarbij het gedrag een
verandering in de omgeving te weeg brengt en dat kan worden versterkt of verzwakt door middel
van beloning of straf. Terwijl klassieke conditionering voornamelijk de creatie van nieuwe reflexen
inhoudt, omvat instrumentele conditionering het leren van nieuw vrijwillig gedrag. Bij klassiek
conditioneren wordt de ene prikkel vervangen door een andere prikkel. Bij operante conditioneren
gaat het om de selectie van de juiste reactie (als gevolg van een bepaalde prikkel).
- Observationeel leren: de persoon hoeft niet zelf ervaring hebben gedaan met associatie (CS+US),
maar kan ook getuige zijn van een gebeurtenis of kan gedrag kopiëren van anderen. Bijvoorbeeld
getuigen-trauma, ontwikkelen van angsten of het nadoen van handelingen.
Het hoofd fenomeen van klassieke conditionering
- Second-order-conditioning (tweede orde conditionering): een vorm van leren, waarbij er waarde
wordt gehecht aan de neutrale stimulus. Deze neutrale stimulus wordt samengebracht met een
andere neutrale stimulus, totdat er dezelfde waarde wordt gehecht aan de andere neutrale stimulus
(naast een bel ook licht toevoegen als stimulus). Second-order conditioning is ook de oorzaak van
verschillende fobieën (de tandarts zien en bang worden).
, - Extinction (uitdoving): De verzwakking van de reactie, wanneer de CS telkens wordt gepresenteerd,
zonder dat daaropvolgend een US tevoorschijn komt. Kanttekening hierbij is wel dat dit een zeer
traag proces is, omdat het afleren van iets veel langer duurt dan het aanleren van iets.
- Spontaneous recovery (spontaan herstel): Wanneer na een bepaalde tijd weer dezelfde CS wordt
getoond, er toch weer een CR plaatsvindt. Dit heeft vooral te maken omdat er ooit een US heeft
plaatsgevonden op de CS en er deze keer ook een US kan volgen op de CS. Dus de terugkeer van
een uitgedoofde respons na een periode waarin een verdere conditionering heeft plaatsgevonden.
- Stimulus generation (generalisatie): dat er ook gereageerd kan worden op een vergelijkbare CS.
Stimuli die lijken op de CS (bel) kunnen ook de CR (kwijlen) oproepen zonder te conditioneren. Hoe
meer de vergelijkbare CS afwijkt van de originele CS, hoe zwakker de reactie zal zijn.
- Discrimination (discriminatie): een aspect van leren waarbij een organisme leert om verschillend te
reageren op stimuli die worden geassocieerd met een US, en stimuli die dat niet worden De CS+
+US (lokt CS uit) en de CS- (lokt geen CS uit). De CS+ zal een CR uitlokken, terwijl de CS- geen CR
uitlokt. Tegenovergestelde van generalisatie.
- Inhibitor: De CS- een stimulus dat een gebeurtenis niet komt, wat een tegenovergestelde reactie
uitroept dan de reactie die normaal wel altijd komt.
De CS wordt normaal gesproken gezien als een signaal. Er moet dus precies genoeg tijd zitten tussen
de CS en de US, ongeveer een halve seconde. Wanneer er te veel tijd tussen zit, wordt de CS niet met
de US geassocieerd. Maar wanneer er te weinig tijd tussen zit, bijvoorbeeld wanneer ze tegelijk
gepresenteerd worden, wordt ook geen associatie gemaakt. De US voor de CS presenteren heeft
helemaal geen nut. Het moment van de CS en US:
- Backward pairing: de US kwam voor de CS (negatief interval)
- Simultaneous pairing: de US en CS kwamen op hetzelfde moment (geen interval)
- Forward pairing: de CS kwam voor de US (positief interval)
De rol van de CS als signaal heeft ook een belangrijke implicatie voor wat klassieke conditionering
produceert, oftewel wat de relatie tussen de CS en de US moet zijn om leren te laten plaatsvinden.
Wanneer de CS gepresenteerd wordt, zijn er vaak nog andere stimuli ter plaatse, zoals licht. Veel van
die andere stimuli zijn echter standaard, wat betekent dat ze er ook zijn wanneer de CS en US niet
worden gepresenteerd. De dieren leren dit door contingency (onvoorziene) – het feit dat de CS
informatie geeft over de aankomst van de US (relatie tussen stimulus en respons) – en niet door
contiguity (nabijheid) – het feit dat de CS en US kort na elkaar arriveren.
De afwezigheid van contingency en de rol van verassing
Wanneer de verhouding tussen de afwezigheid van CS en aanwezigheid van CS zodanig is opgesteld,
dat er bij de aanwezigheid van CS vaker US optreed, dan bij de afwezigheid van CS, dan zal er bij de
aanwezigheid van CS op worden gereageerd. Op basis van verwachtingen kan er ook worden geleerd,
dit kun je onderverdelen in drie delen:
1. Je krijgt meer dan je verwacht (verwachting neemt toe)
2. Je krijgt wat je verwacht (verwachting blijft hetzelfde)
3. Je krijgt minder dan je verwacht (verwachting neemt af)
- Blocking effect (blokkerende effect): Wanneer de stimulus geen nieuwe informatie bevat, zal die
het organisme ook niets leren.
De relatie tussen de CR en de UR
Het verband tussen de CR en UR is dat ze allebei aparte reacties geven voor de US en CS. De CR kan
worden gezien als een voorbereiding op de CS. Dieren interpreteren de CS als signaal dat aangeeft
dat de US op het punt staat aan te komen.
Leren is het ontwikkelen van nieuwe vaardigheden, het verwerven van nieuwe kennis en
meer. Volgens sommige filosofen is leren het creëren van associaties (verschillende dingen met
elkaar in verband brengen). Het meer complexe leren berustte op het creëren van meer associaties.
De simpelste vorm van leren is habituation (gewenning), de afname in de respons van een
organisme naarmate een stimulus bekend wordt. Dit is handig aangezien we onze aandacht willen
richten op onbekende, misschien gevaarlijke, stimuli. Hoe werkt het?
1. Stimulus/ prikkel reactie
2. Als de stimulus herhaaldelijk wordt aangeboden vermindert de respons.
3. Na de stimulus een paar keer gehoord te hebben reageert het organisme er niet op.
Het tegenovergestelde is dishabituation, een toename in de respons van een organisme nadat een
bekende stimulus opeens veranderd. Dit is belangrijk omdat een verandering in een bekende
stimulus vaak belangrijk nieuws brengt.
Pavlov en de geconditioneerde reactie
Een belangrijke wetenschapper die onderzoek deed naar dit soort relaties en associaties was Pavlov.
Tijdens zijn onderzoeken creëerde Pavlov patronen voor de dieren om te ontdekken. Dit deed hij
door met een bel te rinkelen voor de dieren eten te geven. De dieren begonnen na een tijdje al te
kwijlen zodra ze de bel hoorden. Om dit patroon te omschrijven onderscheidde Pavlov twee
soorten reacties:
- De ongeconditioneerde respons (UR): was een biologisch bepaalde reflex die werd veroorzaakt door
een ongeconditioneerde stimulus (US), onafhankelijk van het leren.
In het voorgaande verhaal is het eten in de mond van het dier de US en de UR is kwijlen. De link
tussen de US en de UR is iets dat het dier zelf aan de situatie toevoegt en wat dus niet geleerd is bij
het conditioneren, waardoor de stimulus en de respons ongeconditioneerd zijn.
- De geconditioneerde respons (CR): een product van leren, veroorzaakt door een geconditioneerde
stimulus (CS), die in eerste instantie neutraal was.
Net als de UR wordt de CR veroorzaakt door een stimulus, maar die stimulus was neutraal
aan het begin van het leren. In het voorbeeld is dit de bel en deze wordt een geconditioneerde
stimulus (CS) genoemd.
- Klassieke conditionering: een vorm van leren waarbij de relatie tussen 2 stimulus worden
gekoppeld. Dit leren vindt niet in één keer plaats, maar verloopt geleidelijk en de kracht van de CR
groeit wanneer het dier de combinatie van CS en US vaker ervaart.
- Operante conditionering (instrumentele conditionering): het leerproces waarbij het gedrag een
verandering in de omgeving te weeg brengt en dat kan worden versterkt of verzwakt door middel
van beloning of straf. Terwijl klassieke conditionering voornamelijk de creatie van nieuwe reflexen
inhoudt, omvat instrumentele conditionering het leren van nieuw vrijwillig gedrag. Bij klassiek
conditioneren wordt de ene prikkel vervangen door een andere prikkel. Bij operante conditioneren
gaat het om de selectie van de juiste reactie (als gevolg van een bepaalde prikkel).
- Observationeel leren: de persoon hoeft niet zelf ervaring hebben gedaan met associatie (CS+US),
maar kan ook getuige zijn van een gebeurtenis of kan gedrag kopiëren van anderen. Bijvoorbeeld
getuigen-trauma, ontwikkelen van angsten of het nadoen van handelingen.
Het hoofd fenomeen van klassieke conditionering
- Second-order-conditioning (tweede orde conditionering): een vorm van leren, waarbij er waarde
wordt gehecht aan de neutrale stimulus. Deze neutrale stimulus wordt samengebracht met een
andere neutrale stimulus, totdat er dezelfde waarde wordt gehecht aan de andere neutrale stimulus
(naast een bel ook licht toevoegen als stimulus). Second-order conditioning is ook de oorzaak van
verschillende fobieën (de tandarts zien en bang worden).
, - Extinction (uitdoving): De verzwakking van de reactie, wanneer de CS telkens wordt gepresenteerd,
zonder dat daaropvolgend een US tevoorschijn komt. Kanttekening hierbij is wel dat dit een zeer
traag proces is, omdat het afleren van iets veel langer duurt dan het aanleren van iets.
- Spontaneous recovery (spontaan herstel): Wanneer na een bepaalde tijd weer dezelfde CS wordt
getoond, er toch weer een CR plaatsvindt. Dit heeft vooral te maken omdat er ooit een US heeft
plaatsgevonden op de CS en er deze keer ook een US kan volgen op de CS. Dus de terugkeer van
een uitgedoofde respons na een periode waarin een verdere conditionering heeft plaatsgevonden.
- Stimulus generation (generalisatie): dat er ook gereageerd kan worden op een vergelijkbare CS.
Stimuli die lijken op de CS (bel) kunnen ook de CR (kwijlen) oproepen zonder te conditioneren. Hoe
meer de vergelijkbare CS afwijkt van de originele CS, hoe zwakker de reactie zal zijn.
- Discrimination (discriminatie): een aspect van leren waarbij een organisme leert om verschillend te
reageren op stimuli die worden geassocieerd met een US, en stimuli die dat niet worden De CS+
+US (lokt CS uit) en de CS- (lokt geen CS uit). De CS+ zal een CR uitlokken, terwijl de CS- geen CR
uitlokt. Tegenovergestelde van generalisatie.
- Inhibitor: De CS- een stimulus dat een gebeurtenis niet komt, wat een tegenovergestelde reactie
uitroept dan de reactie die normaal wel altijd komt.
De CS wordt normaal gesproken gezien als een signaal. Er moet dus precies genoeg tijd zitten tussen
de CS en de US, ongeveer een halve seconde. Wanneer er te veel tijd tussen zit, wordt de CS niet met
de US geassocieerd. Maar wanneer er te weinig tijd tussen zit, bijvoorbeeld wanneer ze tegelijk
gepresenteerd worden, wordt ook geen associatie gemaakt. De US voor de CS presenteren heeft
helemaal geen nut. Het moment van de CS en US:
- Backward pairing: de US kwam voor de CS (negatief interval)
- Simultaneous pairing: de US en CS kwamen op hetzelfde moment (geen interval)
- Forward pairing: de CS kwam voor de US (positief interval)
De rol van de CS als signaal heeft ook een belangrijke implicatie voor wat klassieke conditionering
produceert, oftewel wat de relatie tussen de CS en de US moet zijn om leren te laten plaatsvinden.
Wanneer de CS gepresenteerd wordt, zijn er vaak nog andere stimuli ter plaatse, zoals licht. Veel van
die andere stimuli zijn echter standaard, wat betekent dat ze er ook zijn wanneer de CS en US niet
worden gepresenteerd. De dieren leren dit door contingency (onvoorziene) – het feit dat de CS
informatie geeft over de aankomst van de US (relatie tussen stimulus en respons) – en niet door
contiguity (nabijheid) – het feit dat de CS en US kort na elkaar arriveren.
De afwezigheid van contingency en de rol van verassing
Wanneer de verhouding tussen de afwezigheid van CS en aanwezigheid van CS zodanig is opgesteld,
dat er bij de aanwezigheid van CS vaker US optreed, dan bij de afwezigheid van CS, dan zal er bij de
aanwezigheid van CS op worden gereageerd. Op basis van verwachtingen kan er ook worden geleerd,
dit kun je onderverdelen in drie delen:
1. Je krijgt meer dan je verwacht (verwachting neemt toe)
2. Je krijgt wat je verwacht (verwachting blijft hetzelfde)
3. Je krijgt minder dan je verwacht (verwachting neemt af)
- Blocking effect (blokkerende effect): Wanneer de stimulus geen nieuwe informatie bevat, zal die
het organisme ook niets leren.
De relatie tussen de CR en de UR
Het verband tussen de CR en UR is dat ze allebei aparte reacties geven voor de US en CS. De CR kan
worden gezien als een voorbereiding op de CS. Dieren interpreteren de CS als signaal dat aangeeft
dat de US op het punt staat aan te komen.