Flitsherinneringen zijn:
A) zijn stabieler en nauwkeuriger dan herinneringen aan alledaagse gebeurtenissen vanwege
hun emotionele lading.
B) vertonen dezelfde vergeetcurve als herinneringen aan alledaagse gebeurtenissen.
C) worden beter onthouden omdat ze visueel zijn.
D) worden niet beïnvloed door de reconstructie van deze unieke gebeurtenis.
Bij verval is er sprake van ________________, bij interferentie is er sprake van
________________________.
A) Obstructie van informatie – vervaging en uitwissing van het geheugenspoor
B) Het verdwijnen van recente informatie – het verdwijnen van oude informatie
C) Vervaging en uitwisseling van het geheugenspoor – obstructie van informatie
D) Het verdwijnen van oude informatie – het verdwijnen van recente informatie
Iemand die lijdt aan het syndroom van Korsakoff…
A) is nog in staat vloeiend en intelligent te spreken ondanks het feit dat de hersenen beschadigd
zijn.
B) is niet meer instaat om vloeiend en intelligent te spreken omdat de hersenen beschadigd zijn.
C) is niet meer in staat om zich gebeurtenissen van voor het syndroom te herinneren omdat de
hersenen beschadigd zijn.
D) kan met behulp van neurochirurgie (het weghalen van het beschadigde hersendeel) en
psychotherapie vaak weer herstellen.
Taakdoelen zullen eerder leiden tot ______________; egodoelen zullen eerder leiden tot
___________________.
A) Intrinsieke motivatie; extrinsieke motivatie
B) Extrinsieke motivatie; intrinsieke motivatie
C) Succes; mislukking
D) Mislukking; succes
Faalangst...
A) Wordt gekenmerkt door het opzoeken van taken die tot mislukking gedoemd zijn
B) Verhoogt het risico dat men taken gaat doen waarvoor men zich gaat schamen
C) Is het gevolg van een te hoge prestatiemotivatie
D) Leidt tot zelfhandicappen
Volgens Stern was het intelligentieniveau van een kind ___ bij een mentale leeftijd van ___ en
een chronologische leeftijd van ___ .
A) 83-10-12
B) 120-10-12
C) 83-12-10
De correlatie tussen IQ-scores van adoptiekinderen en de IQ-scores van hun biologische
moeder ….
A) Is even hoog als de correlaties met de IQ-scores van hun adoptiemoeder
B) Is hoger dan de correlatie met de IQ-scores van hun adoptiemoeder
C) Bewijst dat het milieu geen invloed heeft op iemands intelligentie
D) Hangt af van het niveau van het genoten onderwijs door de biologische moeder
A) zijn stabieler en nauwkeuriger dan herinneringen aan alledaagse gebeurtenissen vanwege
hun emotionele lading.
B) vertonen dezelfde vergeetcurve als herinneringen aan alledaagse gebeurtenissen.
C) worden beter onthouden omdat ze visueel zijn.
D) worden niet beïnvloed door de reconstructie van deze unieke gebeurtenis.
Bij verval is er sprake van ________________, bij interferentie is er sprake van
________________________.
A) Obstructie van informatie – vervaging en uitwissing van het geheugenspoor
B) Het verdwijnen van recente informatie – het verdwijnen van oude informatie
C) Vervaging en uitwisseling van het geheugenspoor – obstructie van informatie
D) Het verdwijnen van oude informatie – het verdwijnen van recente informatie
Iemand die lijdt aan het syndroom van Korsakoff…
A) is nog in staat vloeiend en intelligent te spreken ondanks het feit dat de hersenen beschadigd
zijn.
B) is niet meer instaat om vloeiend en intelligent te spreken omdat de hersenen beschadigd zijn.
C) is niet meer in staat om zich gebeurtenissen van voor het syndroom te herinneren omdat de
hersenen beschadigd zijn.
D) kan met behulp van neurochirurgie (het weghalen van het beschadigde hersendeel) en
psychotherapie vaak weer herstellen.
Taakdoelen zullen eerder leiden tot ______________; egodoelen zullen eerder leiden tot
___________________.
A) Intrinsieke motivatie; extrinsieke motivatie
B) Extrinsieke motivatie; intrinsieke motivatie
C) Succes; mislukking
D) Mislukking; succes
Faalangst...
A) Wordt gekenmerkt door het opzoeken van taken die tot mislukking gedoemd zijn
B) Verhoogt het risico dat men taken gaat doen waarvoor men zich gaat schamen
C) Is het gevolg van een te hoge prestatiemotivatie
D) Leidt tot zelfhandicappen
Volgens Stern was het intelligentieniveau van een kind ___ bij een mentale leeftijd van ___ en
een chronologische leeftijd van ___ .
A) 83-10-12
B) 120-10-12
C) 83-12-10
De correlatie tussen IQ-scores van adoptiekinderen en de IQ-scores van hun biologische
moeder ….
A) Is even hoog als de correlaties met de IQ-scores van hun adoptiemoeder
B) Is hoger dan de correlatie met de IQ-scores van hun adoptiemoeder
C) Bewijst dat het milieu geen invloed heeft op iemands intelligentie
D) Hangt af van het niveau van het genoten onderwijs door de biologische moeder