0. Inleiding
Fysiologie: de wetenschap die de functies van het menselijk lichaam bestudeert
Anatomie: de bouw van de orgaanstelsels, de structuur en organisatie van het organisme
Pathologie: bestudeert de gevolgen van medische aandoeningen op het menselijk
functioneren
1. Weefsels en organen
Differentiatieproces: cellen die precies hetzelfde DNA hebben in de kern specialiseren zich
tijdens de embryonale periode in verschillende celtypes ® onder invloed van
omstandigheden waarin een cel terechtkomt, vindt transcriptie van de benodigde genen uit
DNA plaats
Weefsels: groepen cellen met duidelijke overeenkomst en samenhang
Orgaan: bestaat uit verschillende bouwmaterialen, namelijk de weefsels
Orgaanstelsel: groep samenwerkende organen die een ruimere, algemene taak heeft
Organisme: wordt gevormd door alle orgaanstelsels samen, = een levend individu dat tot
algemene taak heeft zichzelf en zijn soort te handhaven
Basisweefsel = een groep samenhangende gelijkvormige cellen met hun eventueel
bijhorende tussenstof
® 4 basisweefselsoorten:
• dekweefsel (epitheel)
• steunweefsel
• spierweefsel
• zenuwweefsel
Alle structuren in het lichaam zijn opgebouwd uit verschillende combinaties van deze 4
weefsels
1
,Fysiologie 1
1.1 Epitheel
Opbouw:
• cellen met een regelmatige vorm
• meestal zonder tussencelstof
• geordend in 1 laag/hoogstens enkele lagen*
• afwezigheid van bloedvaten = avasculaire structuur
- voedingsstoffen moeten ze opnemen vanuit dieper gelegen weefsels of via
uitwendige dekweefseloppervlak
• basaalmembraan: dun bindweefselvlies
- verbinding met onderliggend bindweefsel
*beperkt in aantal lagen omdat structuur zelf geen bloedvaten omvat
Functies:
• dekweefsels bekleden uit- en inwendige lichaamsoppervlakken
• fysieke bescherming bieden (grens tussen lichaam en buitenwereld)
- schade, uitdroging, aantasting door chemische stoffen of ziekteverwekkers
• regulatie doorlaatbaarheid
- alle stoffen die het lichaam in- of uitgaan moeten door een dekweefsellaag heen
- uitscheiding (klierweefsel, nieren, longen)
- absorptie (maagdarmstelsel, longen)
• zintuigfunctie
- gespecialiseerde epitheelcellen kunnen veranderingen in de omgeving
waarnemen en contact maken met zenuwstelsel
Ook aan binnenzijde worden bedekkende cellagen aangetroffen, bv. endotheel aan
binnenzijde van hart- en bloedvaten
Bijzonderheden/specialisaties:
• dikte: 1 of meer cellagen
• celvorm: plaveisel-, kubus-, of cilindervormig
• asymmetrische celstructuur
- gespecialiseerde structuren ter hoogte van apicale oppervlak
o trilharen
o microvilli
2
,Fysiologie 1
1.1.1 Trilhaarepitheel
Cilindervormige cellen met trilharen aan oppervlak
Bevat slijmproducerende cellen die een fijn slijmlaagje aan het oppervlak afzetten
Tussen slijmproducerende cellen: trilharen
• bewegen in één richting
• spreiden slijmlaagje uit
Bv. in luchtwegstelsel: trilharen vangen onzuiverheden, bewegen in één richting (naar keel),
slijmlaagje wordt ingeslikt en onzuiverheden worden geneutraliseerd door zure maaginhoud
Trilhaarepitheel wordt aangetroffen t.h.v.
• luchtpijp en vertakkingen (slijm met verontreinigingen richting keel)
• eileider (slijm met vrijgekomen eicel richting baarmoeder)
• buis van Eustachius (slijm richting keelholte)
1.1.2. Darmepitheel met microvilli
Cilindervormige epitheelcellen zijn aan één zijde voorzien van fijne uitstulpingen: microvilli
• groter oppervlak voor darmcel
• meer mogelijkheden naar absorptie
1.1.3 Klierepitheel
Klier: verzonken gebied van oppervlakte-epitheel
Dekweefselcellen die klierproducten vormen
• afzonderlijke kliercellen tussen andere celtypes in epitheel
• meeste of alle cellen produceren bepaalde klierproducten in klierepitheel
Indeling naar vorm:
• buisvormig (tubulair)
- overal in de wand liggen secreterende cellen
• trosvormig (alveolair)
- in de wand van de klierbesjes liggen de secreterende cellen
tubulair alveolair
3
, Fysiologie 1
Indeling naar afgifteplaats:
• exocrien
- afscheiden van klierproducten op oppervlak-epitheel: afvoerbuizen
• endocrien
- afscheiden van klierproducten aan het omringende weefselvocht en bloed: geen
afvoerbuizen
- product via bloedbaan afgevoerd en verder rondgestuurd (bv. hormoonklieren)
Indeling naar functie van het product:
• secretie (= afscheiding): vrijzetting van producten die ter plaatse een functie
uitoefenen
• excretie (= uitscheiding): verwijderen van overtollige stoffen of stoffen waarvan een
te veel schadelijk kan zijn
Indeling naar samenstelling van het product:
• sereus: waterig secreet met zouten en/of eiwitten (bv. zweetklieren)
• muceus: slijmerig secreet (bv. maagslijmklieren)
• seromuceus: gemengd product (bv. speekselklieren)
1.2 Steunweefsel
Opbouw:
• onregelmatig met grillige uitlopers
• indien veel tussenstof: cellen op grote afstand van elkaar
• 3 basale onderdelen:
- gespecialiseerde cellen
- extracellulaire eiwitvezels tussencelstof of matrix (geeft cellen vorm)
- grondsubstantie (vloeistof)
Aanwezigheid van bloedvaten = vasculaire structuur
Functies: (steunweefsels zijn nooit aan uitwendige milieu blootgesteld)
• stevigheid en bescherming
- raamwerk voor lichaam en beschermen van kwetsbare organen
• verbindingsfunctie
- omgeven andere weefseltypen en verbinden deze onderling
- verbinding tussen epitheel en onderliggende structuren
- bindweefsel
• verdediging van het lichaam
- gespecialiseerde steunweefselcellen die reageren op binnendringende micro-
organismen
3 hoofdgroepen
• vezelig bindweefsel
• kraakbeenweefsel
• bot- of beenweefsel
Soms ook inhoud bloedvaten (bloed) en lymfevaten (lymfe) ® tussenstof vloeibaar
4