Inhoudsopgave
1 ORGANISATIE + TOEPASSINGSGEBIED + BIJDRAGEREGELING SSZ.................................................................2
2 OVERBRUGGINGSRECHT............................................................................................................................ 14
3 ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING................................................................................................. 27
4 PENSIOEN................................................................................................................................................. 35
5 VENNOOTSCHAPPEN EN SSZ...................................................................................................................... 45
, 1 Organisatie + toepassingsgebied + bijdrageregeling
SSZ
VRAAG 1: Bewijs van de hoedanigheid van zelfstandige
A. Leg uit op wie de bewijslast rust.
- De bewijslast ligt bij degene die het vermoeden inroept
o Bv. Degene die meent zelfstandige te zijn en onder het sociaal statuut
wenst te vallen
o Bv. De instelling die de vermeende zelfstandige tot het sociaal statuut
wil aansluiten wanneer de betrokkene dat niet spontaan doet.
- Aangezien er sprake is van een weerlegbaar vermoeden kan men dit dus
weerleggen
o Om onder de toepassing van het vermoeden te vallen zijn er enkele
voorwaarden (Art. 3, §1, lid 4 KB nr 38):
1) aangesteld zijn tot mandataris
Enkel natuurlijke personen kunnen tot mandataris
benoemd worden
o Gevolg: vermoeden geldt niet voor rechtspersonen
die optreden als bestuurder van een andere
rechtspersoon.
o Gevolg: de vaste vertegenwoordiger is een
mandataris van de rechtspersoon-bestuurder.
Mandaat heeft enkel betrekking op bestuurs-en
vertegenwoordigings-bevoegdheid. Daartoe behoren
onder meer: enige bestuurder, raad van bestuur, raad van
toezicht, Directiecomité
Uitz.: Organen die een controlebevoegdheid uitoefenen
worden voor de ene wel en voor de andere niet geacht
onder toepassing van het vermoeden te vallen
o Maar doorgaans vermoed als NIET te vallen onder
het vermoeden
2) er moet een exploitatie of activiteiten van
winstgevende aard aanwezig zijn in de vennootschap
Niet kijken naar de juridische vorm van de vennootschap
wel kijken of de verrichtingen van de vennootschap
winstgevend van aard zijn
Indien de vennootschap geen activiteit meer verricht, dan
kan men aannemen dat de aannemer ook geen
activiteiten meer verricht
o Bv. slapende of ontbonden vennootschap
o De bewijsregeling is heel streng
Gevolg: mandatarissen moeten adhv fiscale
documenten aantonen dat de vennootschap
haar activiteiten heeft stopgezet
Hierbij stelt men dat schrapping uit de
Kruispuntbank voor ondernemingen is
onvoldoende, maar wel kan wel gelden bv.
btw-attesten en vennootschapsbelasting
Het SSZ heeft de fiscaalrechtelijke terminologie
overgenomen
2