Hoofdstuk 1 - basisvaardigheden
1.1 Grootheden en eenheden
Kwalitatieve waarneming: met het blote oog.
Kwantitatieve waarneming: precies.
Een eenheid is de maat waarmee je de te meten grootheid vergelijkt.
Eenheden zijn vastgelegd in het internationale eenhedenstelsel, het Système
International d’Unités (SI).
9 basisgrootheden met bijbehorende grondeenheden. Zie Binas tabel 3A.
o De eenheid van massa is de enige grondeenheid met een voorvoegsel, nl. kilo
Afgeleide grootheden: geen basisgrootheden. Bijbehorend een afgeleide eenheid.
o bijv. oppervlakte – vierkante meter.
1.2 Werken met machten van 10
8000,0 = 8 x 1000 = 8 x 10 x 10 x 10 = 8 x 103
7 7 7
0,007 = = = = 7 x 10-3
1000 10 x 10 x 10 103
Wetenschappelijke notatie: bijv. 2,1 x 105
Orde van grote: aangeven in de macht van 10. Denk aan het afronden.
o Bijv. 1,496 x 1011 m 1011
Rekenen met machten van 10:
1 m
o p
=10− p 1 =m∙ s−1
10 s
p q p
o 10 ∙10 =10 −q
o
10 p p−q
q
=10
10
o (10 p )q=10 p ∙q
Voorvoegsels of vermenigvuldigingsfactoren: in plaats van machten. Binas tabel 2.
1.3 Werken met eenheden
De rekenregels bij machten van 10 gelden ook bij machten van eenheden.
De eenheid van massa is kilogram [m] = kgm] = kg
In een formule is er een wiskundig verband tussen grootheden. Daarom is er ook een
verband tussen de bijbehorende eenheden. Daardoor kun je afgeleide eenheden
bepalen.
o Bijv.: de oppervlakte van een cirkel. A = πrr2.
Getallen en pi hebben geen eenheid.
[m] = kgA] = [m] = kgr]2 [m] = kgA] = m2
Je moet eenheden op elkaar afstemmen. Omrekenen.
1.4 Meetonzekerheid en significante getallen
Meetonzekerheid: Je weet nooit of de meting precies de waarde van de grootheid is.
o Toevallige fouten: Niet helemaal precies. Je moet bijvoorbeeld een schatting
tussen 2 streepjes maken.
o Systematische fout: Gaat de hele tijd fout. Iets is bijvoorbeeld niet goed
ingesteld.
o Afleesfout: je leest het verkeerd af.
Noteren van metingen zonder: Decimaal achter het laatste cijfer 5 omhoog en 5
omlaag. Bijvoorbeeld: 3,00 m tussen 2,995 en 3,005 m.