Pathologie
Week 4.1 – Cox- en gonartrose
Leerdoel 1 De student kan het ziektebeeld van coxartrose beschrijven.
Coxartrose wordt gekenmerkt door pijn en stijfheid in het heupgewricht door slijtage van het
kraakbeen. Het heupgewricht bestaat uit een kop en een kom die beiden bekleed zijn met een dun
laagje kraakbeen. Dit heeft een schokdempende werking en zorgt voor een optimale glijbaarheid van
de afzonderlijke botdelen in het gewricht.
Bij artrose gaat het kraakbeen in kwaliteit achteruit, waardoor het gewricht minder soepel loopt en
de schokken minder goed worden opgevangen. Hierdoor kunnen chronische heupklachten ontstaan.
De klachten ontstaan bij het ouder worden of langdurige mechanische belasting. Het kan ook
gebeuren dat het kraakbeen na gewrichtsletsel beschadigd of dat het veroorzaakt wordt door een
auto-immuunziekte. Wanneer het kraakbeen eenmaal beschadigd is, groeit het niet meer terug.
Symptomen van coxartrose zijn;
Stijfheid van het heupgewricht, met name in de ochtend;
Progressieve pijn in de lies, het bovenbeen, de knie en de bil;
Beperkte ROM van de heup in alle bewegingsrichtingen;
Eindstandige passieve bewegingen geven een hard eindgevoel door bot-op-botcontact;
Drukpijn aan de voorzijde van het heupgewricht;
Crepitaties;
Stabiliteitsverlies;
Krachtsverlies bij abductie.
Lichamelijk onderzoek en het verhaal van de patiënt zijn meestal voldoende om de diagnose te
stellen. Soms wordt er laboratoriumonderzoek gedaan, waarbij de mate van bezinking in het bloed
bekeken wordt. Bij een bezinking van > 20 mm is er sprake van een ontsteking, artritis. Röntgenfoto’s
worden alleen gemaakt bij twijfel over de diagnose of wanneer een operatie overwogen wordt. Bij
radiologisch onderzoek maakt men gebruik van de Kellgren-Lawrence scale, waarbij gekeken wordt
naar;
Symptomen Score
Osteofyten op de gewrichtsranden en in de knie op de eminentia 1. Geen;
intercondylaris; 2. Twijfelachtig;
Periaticulaire botwoekering (vooral PIP en DIP, n.v.t. op heup); 3. Mild;
Gewrichtsspleetversmalling geassocieerd met subcondrale sclerose; 4. Matig;
Kleine subchondrale pseudocyten met sclerotische rand; 5. Ernstig.
Vormverandering van de femurkop.
Er zijn verschillende behandelmogelijkheden bij coxartrose, namelijk;
Fysiotherapie;
o Primaire preventie: het verkleinen van de risicofactoren;
o Tertiaire preventie: remmen verslechtering GME’s en negatief prognostische
factoren;
o Pre-operatief BIBO: vergroten van kracht, stabiliteit, uithoudingsvermogen en inzicht.
Medicatie: glucosamine, maximaal 3 maanden, bij geen effect stoppen;
Operatie;
, oGewrichtsbesparend: spoelen en schoonmaken van het oppervlak (nettoyage), het
totale kraakbeen behandelen (microfracturering), herstellen van omringend weefsel
(pandakcorrectie) of standcorrectie (correctieosteotomie)
o Gewrichtsvervanging: resurfacing, prothese of hemiprothese.
Artrodese: volledig vastzetten van het gewricht.
Leerdoel 2 De student kan het ziektebeeld van gonartrose beschrijven.
Gonartrose wordt gekenmerkt door pijn en stijfheid in het kniegewricht door slijtage van het
kraakbeen. Verlies van kraakbeen kan leiden tot chronische knieklachten. Doordat het kraakbeen
weg is, kan er bot-op-botcontact ontstaan in het kniegewricht. Dit is pijnlijk en maakt het gewricht
minder beweeglijk. Het lichaam reageert hierop door osteofyten te vormen. Dit houdt in dat er
abnormale beenderige uitgroeiingen ontstaan aan de randen van het gewricht. Door het gewricht
breder te maken, wordt de druk over een groter oppervlak verdeeld. Dit is een soort reparatiereactie
van het lichaam.
De klachten ontstaan vaak bij het ouder worden of door langdurige mechanische belasting.
Knieartrose kan ook op jongere leeftijd ontstaan, bijvoorbeeld door een ongeval of afwijkingen
binnen het gewricht. Letsel aan de meniscus, kruisbanden of een standsafwijking van het been
kunnen artrose veroorzaken, doordat het kraakbeen gedurende langere tijd verkeerd belast wordt.
De symptomen van gonartrose zijn;
Pijnlijke knie, met name bij beweging;
Stijfheid, met name in de ochtend;
Crepitaties;
Zwelling;
O-benen (genus varus) en een vergrote valguslaxiteit door mediaal kraakbeenverlies;
Flexiecontractuur;
Giving way
Verbreding van het kniegewricht;
Verminderde ROM van het kniegewricht, met name bij flexie;
Slotklachten.
Het diagnostisch proces en de behandelmogelijkheden van gonartrose zijn hetzelfde als bij
coxartrose.
Leerdoel 3 De student kan de revalidatie beschrijven na total hip en total knee.
Na het plaatsen van een totale heupprothese (total hip) probeert men de opnameduur in het
ziekenhuis zo kort mogelijk te houden. Als er geen complicaties optreden, mag de patiënt na 3 of 4
dagen al naar huis. Het herstel na een total hip bestaat uit verschillende fasen, namelijk;
De eerste 4 dagen na de operatie: Een fysiotherapeut begeleidt de patiënt bij het maken van
transfers, het mobiliseren door middel van een loophulpmiddel en het traplopen. Verder
worden eenvoudige spieractiverende oefeningen voor de kuit, het bovenbeen en de heup
met de patiënt doorgenomen.
4 dagen tot 8 weken na de operatie: Het advies is om twee keer per dag ca. 30 minuten op
de buik, dan wel zo plat mogelijk op de rug te gaan liggen om verkorting van de heupflexoren
te voorkomen. Verder moet de patiënt zich aan een aantal leefregels houden om luxatie te
voorkomen. De patiënt moet voornamelijk de combinatie van flexie van meer dan 90 o,
endorotatie en adductie vermijden.
2 tot 5 maanden na de operatie: Een twaalf weken durend huiswerkprogramma wordt
gestart, waardoor een significante verbetering ontstaat in spierkraht, loopsnelheid en
functioneel herstel. Het programma bestaat uit, minimaal drie keer per week;
, o Heupflexie bevorderende oefeningen;
o Bilaterale krachtoefeningen voor heupflexoren, -extensoren en -abductoren;
o Balans-, stabiliteits- en coördinatieoefeningen;
o Minstens 30 minuten per dag lopen.
Patiënten met een snelle volledige mobilisatie lopen veel eerder met krukken, hebben een kortere
opnameduur in het ziekenhuis, gebruiken minder pijnmedicatie en zijn eerder in staat ADL-taken te
hervatten dan patiënten die in een later stadium met mobilisatie beginnen.
Bij een totale knieprothese (total knee) varieert de opnameduur van 5 tot 10 dagen. Als de wond
goed genezen is, het mobiliseren goed gaat en er thuis voldoende hulp is, mag men naar huis. Na
ontslag uit het ziekenhuis heeft men een aantal weken hulp nodig, bijvoorbeeld met boodschappen,
het huishouden en eigen verzorging. Het herstel bij een total knee bestaat uit verschillende fasen,
namelijk;
De eerste 4 tot 12 weken na de operatie: De patiënt loopt de eerste 4 tot 6 weken met 2
krukken, daarna nog tot zo’n 6 weken met 1 kruk.
De eerste 3 maanden na de operatie: de patiënt gaat 2 keer per week naar de
fysiotherapeut om de knie weer goed te laten bewegen en de spieren sterker te maken;
De eerste 6 maanden na de operatie: de knie blijft wat stijf, dik en warm aanvoelen. Het kan
prettig zijn om de knie te koelen;
18 tot 24 maanden na de operatie: het herstel is helemaal voltooid.
Mede door de ontwikkeling en verbetering van de totale knieprothese komen mensen op steeds
jongere leeftijd in aanmerking voor een nieuwe knie. In eerste instantie was de plaatsing van een
totale knieprothese, met name bij de ouderen, gericht op pijnvermindering. Tegenwoordig wordt
een totale knieprothese steeds vaker geplaatst met als doel functie- en participatieverbetering.
Hieronder vallen onder andere ADL-activiteiten, werken en vrijetijdsbesteding zoals sporten.
Aanbevolen wordt om te streven naar werkhervatting binnen drie maanden na een totale
knieprotheseoperatie, rekening houdend met het persoonlijke herstelproces van de patiënt. Fysieke
arbeid hoeft niet vermeden te worden door patiënten met een knieprothese, omdat werkhervatting
niet leidt tot complicaties en vroegtijdige revisieoperaties.
Bewegen en sportieve activiteiten hebben een positief effect op de gezondheid en kwaliteit van
leven. Een total knee en de rest van het lichaam hebben beweging en belasting nodig. Deze belasting
moet niet teveel, maar ook niet te weinig zijn. Te veel belasting kan versnelde slijtage van de
prothese veroorzaken, terwijl te weinig belasting een nadelig effect op de gezondheid heeft. Met
name piekbelasting, waarbij een korte maar grote kracht op de prothese terechtkomt, zorgt voor
extra slijtage van de prothese. Per persoon zal verschillen hoeveel weken na de operatie weer gestart
kan worden met sporten. Dit is onder andere afhankelijk van het verloop van het herstelproces, de
motivatie van de patiënt, de soort sportactiviteit en het gewenste sportniveau.
De aanbevelingen voor sporten met een total knee zijn;
Lage-impactactiviteiten zoals wandelen, fietsen, zwemmen en golfen kunnen veilig worden
hervat;
Hoge-impactsporten en contactsporten, zoals voetbal, basketbal, joggen en judo worden
afgeraden;
Skiën en tennis zijn toegestaan als de patiënt er veel ervaring mee heeft en de techniek goed
beheerst;
, Overige sporten kunnen in overleg met de orthopeed worden hervat mits de patiënt beschikt
over een adequate motorische controle, een BMI <25, goede preoperatieve functie en reële
verwachtingen.
Week 4.2 – Heupaandoeningen
Leerdoel 4 De student kan het ziektebeeld van het trochanter major
pijnsyndroom beschrijven.
Bij het trochanter major pijnsyndroom is er pijn rond de trochanter major die wordt veroorzaakt
door beschadigde of geïrriteerde structuren die over of langs de trochanter major heen bewegen. De
aandoening wordt vooral gezien bij vrouwen en mannen van middelbare leeftijd en ouder.
De tractus iliotibialis is een grote peesplaat die vanaf de bekkenkam over de buitenzijde van het
bovenbeen naar de knie toe loopt. Onderweg passeert hij de trochanter major; een knobbel van het
dijbeen die wat naar buiten uitsteekt. Vanaf het bekken lopen twee spieren die aan de tractus
iliotibialis verboden zijn; de gluteus maximus en de tensor fasciae latae. Onder deze spieren liggen
nog twee andere spieren, namelijk de gluteus medius en gluteus minimus. Zij lopen vanuit het
bekken naar de trochanter major
toe waarop ze aanhechten. Op het
trochanter major hecht ook nog een
andere spier aan die vanuit daar
naar de knie toe loopt, de vastus
lateralis. Al deze structuren
bewegen vlak over elkaar heen. Om
wrijving te voorkomen zitten er
slijmbeurzen tussen. De pijn die
optreedt bij het trochanter major
pijnsyndroom is het gevolg van
verschillende letsels aan de
structuren rondom de trochanter
major.
Symptomen van het trochanter major pijnsyndroom zijn;
Pijn op of rondom de trochanter major, met name tijdens (trap)lopen of op de heup liggen;
Volledige ROM;
Snapping hip;
Waggelgang door verzwakte heupabductoren.
Behandeling en herstel van het trochanter major pijnsyndroom;
Relatieve rust en ontlasten van het aangedane been;
Excentrische spierversterkende oefeningen van de heupabductoren;
Pijnmedicatie en corticosteroïdeninjecties;
Rekken van de tensor en de glutei;
Verwarmen of verkoelen;
Stabiliteitstraining voor de romp en onderste extremiteit;
Zoolverhoging bij beenlengteverschil;
Shockwave therapie (ESWT).