Diagnostiek
Besliskunde: het systematisch beschrijven van een beslissingsprobleem en het methodisch vinden
van een correcte oplossing daarvan.
Kwaliteitsbeoordeling van diagnostiek is procesgericht:
Accountability: Het kunnen legitimeren door middel van reflectie. Dit is de basis voor het opstellen
van richtlijnen.
Liability: Juridische verantwoording van diagnostisch handelen.
Verschil classificatie en diagnose
Classificatie: Het onderbrengen van de kenmerken bij een probleem.
Diagnose: Theorie van het individuele geval.
Valkuilen van een diagnosticus:
Anchoring/Primacy effect: Het in de oordeelsvorming bevooroordelen van informatie.
Excessive data collection: Het te veel data verzamelen terwijl er voldoende data is.
Confirmation bias: Neiging om op zoek te gaan naar informatie die jou veronderstelling ondersteunt.
Framing: Neiging om symptomen te interpreteren op basis van de wijze waarop het is
gepresenteerd.
Availability bias: Neiging om het eerste dat in je opkomt als waarheid te zien of de informatie die het
meest opvalt.
Culturele bias: Verkeerd interpreteren van culturele aspecten.
Diagnostische cyclus
Diagnostische cyclus: Een empirische cyclus die is uitgebouwd tot een hypothese toetsen model.
1. Klachtenanalyse -> verhelderende diagnose.
2. Probleemanalyse -> Onderkennende diagnose.
3. Verklaringsanalyse -> verklarende diagnose.
4. Indicatieanalyse -> indicerende diagnose.
Klachtenanalyse: Het verzamelen van klachten vanuit de beleving van de patiënt (inside perspective)
Probleemanalyse: Samenvatting van de problemen vanuit professional, waarbij toetsbare,
onderkennende hypothesen zijn geformuleerd en er een richting wordt gegeven aan mogelijke
verklaringen.
Verklaringsanalyse: Het formuleren van wetenschappelijk verklarende hypothesen en het hieruit
afleiden van toetsbare onderzoekshypothesen en het toetsen hiervan m.b.v. bewuste keuzes voor
middelen en a.d.h.v. vooropgestelde toetsingscriteria.
Indicatieanalyse: Vanuit het integratief beeld wordt een verantwoorde, liefst wetenschappelijk
gefundeerde aanbeveling gevormd voor de best passende aanpak van het probleem.
Verklaringsanalyse
Integratief beeld: Hierin worden verklarende factoren in samenhang met elkaar aangegeven
(verklarende diagnose + protectieve factoren).
Onderzoekshypothesen: Een toetsbare deelbewering over een conditie die verondersteld wordt een
verklaring te zijn voor het onderkende probleem.
Multifinaliteit: Een bepaalde risicofactor kan tot verschillende ontwikkelingsuitkomsten leiden.
Equifinaliteit: Verschillende ontwikkelingspaden kunnen tot dezelfde uitkomst leiden.
1
, Intelligentie
Gedachtegangen over intelligentie:
- Intelligentie als één algemene factor
- Intelligentie als meerdere onafhankelijke dimensies
Crystallized intelligence: Aangeleerde kennis en vaardigheden op hoger cognitief niveau,
ervaringen, waarbij de inhoud gerelateerd is aan opleidingsniveau en culturele vorming.
Fluid intelligence: Inzicht gebaseerd op abstract denken: logisch nadenken, analyseren,
patronen identificeren, verbanden leggen en probleemoplosssen in (nieuwe) situaties.
Oftewel, het vermogen nieuwe problemen op te lossen, waarbij onderwijs en culturele
vorming geen invloed heeft.
- Meervoudige intelligentie
WISC
Verschillen WISC-III en WISC-V
1. WISC-V maakt gebruik van 7 kernsubtest om het TIQ op te leveren (60min). Bij de WISC-III
waren dit 10 subtests (120 min).
2. In de WISC-V zijn de kernsubtests minder afhankelijk van snelheid van werken, taal en
motoriek. De WISC-III was wel gericht op snelheid, taal en motoriek.
3. De WISC-V heeft een nieuwe structuur. Deze bevat 5 primaire indexen en 5 aanvullende
indexen.
4. De WISC-V is meer gericht op fluid intelligence. De WISC-III heeft geen maat voor fluïde
intelligentie.
5. De WISC-V kan naast pen en papier ook digitaal afgenomen worden.
Primaire indexen WISC-V
Verbaal begrip: Het vermogen om toegang te krijgen tot de verworven woordkennis en deze
vervolgens toe te passen.
Visueel ruimtelijk: Het vermogen om visuele details te evalueren en visueel-ruimtelijke relaties te
begrijpen.
Fluïde redeneren: Het vermogen om de onderliggende conceptuele relatie tussen visuele objecten te
zien en om redeneervaardigheden te gebruiken bij de identificatie en toepassing van regels.
Werkgeheugen: Het vermogen om visuele en auditieve informatie te registreren, vast te houden en
te manipuleren onder bewuste aandacht.
Verwerkingssnelheid: Het vermogen om visuele en auditieve informatie te registreren, vast te
houden en te manipuleren.
Afnameprocedure WISC-V
Beginregel: Beginnen bij leeftijdsspecifiek item.
Omkeerregel: Geen perfecte score op eerste 2 items, in omgekeerde volgorde terug.
Afbreekregel: Afbreken bij 3 opeenvolgende 0-scores (m.u.v. blokpatronen).
Herhalen: Verschilt per subtest (niet bij cijferreeksen en cijfers en letters nazeggen).
Tijdregistratie: Bij 7 subtests tijdslimiet. Tijd start na uitspreken van het laatste woord van de
instructie. Je mag het kind de taak laten afmaken, maar je geeft dan wel een 0-score.
Soorten items:
Kwalificatie-item: Vereiste kennis testen.
Demonstratie-item: Uitleg.
Voorbeeld-item: Oefenen.
Oefen-item: Correctieve feedback.
2