De lever bestaat uit een grotere en een kleinere lob. Direct hieronder zit de galblaas. De lever krijgt
bloed via de leverslagader, vanuit de aorta. Daarnaast krijgt de lever bloed via de poortader. Alle
aders uit de darmen, maag en milt komen samen in de poortader, zodat het bloed uit de darmen
eerst naar de lever gaat. De lever heeft een dubbele bloedtoevoer. De samenstelling van het bloed in
de poortader kan sterk wisselen, terwijl het bloed dat de lever verlaat een constante samenstelling
heeft. De lever geeft de stoffen uit het poortaderbloed geleidelijk weer af. De lever is opgebouwd uit
zeshoekige leverlobjes, bestaande uit levercellen. Op elk hoekpunt zit een takje van de poortader,
van de leverslagader en een galgang. De takjes van de leverslagader en de poortader vertakken
verder in het lobje. Deze wijdere haarvaten worden sinusoïden genoemd. Daarin wordt zuurstofrijk
bloed uit de slagader gemengd met het bloed uit de poortader. Het bloed stroomt van buiten naar
het centrum. Daarbij monden de sinusoïden in een centraal leveradertje en uiteindelijk in de
leverader. De wanden van de sinusoïden zijn deels bekleed met de Kupffercellen, speciale fagocyten
die oude rode bloedcellen en brokstukken van andere cellen (en bacteriën) opnemen en toxinen uit
het bloed halen. Ze signaleren ook de aanwezigheid van lichaamsvreemde stoffen. Tussen de
levercellen zijn galkanaaltjes. De stroomrichting is van binnen naar buiten en ze monden uit in de
galgangen. De levercellen vormen gal met afvalstoffen. Dit wordt via de galgangen afgevoerd naar de
galblaas. Tijdens maaltijden wordt het naar de darm gevoerd voor vetvertering.
De grotere vetzuurmoleculen (meer dan 10 C-atomen) worden in de lymfevaten van de darm
opgenomen en met de lymfe via de borstbuis in het bloed. Via het hart, de kleine bloedsomloop, de
aorta en de leverslagader komt een deel van deze vetzuren in de lever. Een ander deel komt in de
vetcellen in het onderhuids bindweefsel en in bindweefsel tussen de organen.
De lever zorgt voor de juiste concentratie glucose in het bloed (bloedsuikerspiekel). Insuline en
glucagon regelen dit. Insuline stimuleert de levercellen om glucose uit het bloed op te nemen. Ze
zetten de glucose om in glycogeen. Deze verhoogt de osmotische waarde in de cellen niet doordat
het onoplosbaar is. Wanneer het maximum van 150 gram glycogeen is bereikt, wordt glucose
omgezet in vet. De skeletspieren kunnen glucose uit het bloed halen en ook omzetten in glycogeen.
Tijdens inspanning daalt de bloedsuikerspiegel, omdat de cellen meer glucose nodig hebben. Dan
produceert de alvleesklier glucagon (antagonist van insuline). Dit zorgt ervoor dat glycogeen omgezet
wordt in glucose. Wanneer het bloedsuikergehalte hoger wordt dan 0,17% kunnen de nieren het niet
allemaal terugresorberen en komt glucose in de urine terecht. De lever kan glucose maken uit andere
grondstoffen (aminozuren, vetzuren en melkzuur). Dit gebeurt wanneer de glycogeenvoorraad in de
lever en spieren op is. De verbranding van vet duurt echter veel langzamer dan van glucose,
waardoor de sporter minder kracht voelt.
In de levercellen worden vetten gevormd uit vetzuren en glycerol en soms uit glucose. De lever kan
de meeste vetzuren zelf maken. Andersom breken de levercellen vetten af tot vetzuren en glycerol.
Ook worden verzadigde vetzuren omgezet in onverzadigde vetzuren. De lever zet bovendien
cholesterol om in galzure zouten (die komen in het gal terecht) of produceert zelf cholesterol. Het
natuurlijke cholesterol gehalte is genetisch bepaald en verschilt dus per persoon. Cholesterol maakt
deel uit van celmembranen en is nodig bij een aantal stofwisselingsprocessen.
De lever krijgt aminozuren via de poortader. De levercellen vormen vrijwel alle plasma-eiwitten
(zoals albumine, globuline en stollingsfactoren) en geven die aan het bloed af. Levercellen kunnen
aminozuren omzetten in andere aminozuren. Hierdoor kan een tekort aan aminozuren opgevangen
worden. Je lichaam kan eiwitten en aminozuren niet opslaan, het teveel wordt afgebroken