7 Voeding
7.1 Gezonde voeding
Evenwichtige verdeling van eiwitten, vetten, koolhydraten, voedingsvezels, vitamines, mineralen en
water.
Functies:
Aanbreng van energie via vetten, koolhydraten en eiwitten
Eiwitten zijn leverancier van bouwstoffen
Lichaamstemperatuur regelen
Voedingsvezels voor darmwerking en stoelgang
Vitamines en mineralen bij alle lichaamsprocessen
7.2 Macronutriënten
Functie: constant houden van lichaamstemperatuur, inwendige arbeid, uitwendige arbeid
Calorieën = warmte eenheid
Joules= mechanische eenheid
Eiwitten, vetten, koolhydraten, voedingsvezels, alcohol en water
Leren hoeveelheid calorieën of energie per gram
o Vetten: 1 gram vet = 38 kJ = 9 kcal
o Koolhydraten: 1 gram = 17 kJ = 4 kcal
o Eiwitten: 1 gram = 17 kJ = 4 kcal
o Alcohol: 1 gram = 29 kJ = 7 kcal
7.2.1 Koolhydraten
Functie:
Leveren energie (minstens 55%)
Meervoudige zetmeel houdende koolhydraten (=trage suikers):
Spelen een belangrijke rol omdat ze geleidelijk in glucose worden omgezet en zorgen voor
een gelijkmatige aanvoer van energie
Zetmeel in brood, graanproducten, aardappel, pasta, havermout, …
Enkelvoudige suikerhoudende koolhydraten (=snelle suikers):
Sucrose, fructose, glucose, lactose in koekjes, frisdrank, chocolade, …
Deze eenvoudige koolhydraten komen snel in het bloed terecht, verhogen de
bloedsuikerspiegel en geven een kort verzadigingsgevoel. De bloedsuiker spiegel gaat dan
ook weer snel dalen, zodat men langzaam weer honger begint te krijgen
, 7.2.1.1 De glycemische index
GI= meten hoe snel voedingsproducten suikers vrijgeven
Voeding met hoge GI vermijden of combineren met voeding met lage GI
Bloedsuikerspiegel bij hoge en lage GI-maaltijd
7.1 Gezonde voeding
Evenwichtige verdeling van eiwitten, vetten, koolhydraten, voedingsvezels, vitamines, mineralen en
water.
Functies:
Aanbreng van energie via vetten, koolhydraten en eiwitten
Eiwitten zijn leverancier van bouwstoffen
Lichaamstemperatuur regelen
Voedingsvezels voor darmwerking en stoelgang
Vitamines en mineralen bij alle lichaamsprocessen
7.2 Macronutriënten
Functie: constant houden van lichaamstemperatuur, inwendige arbeid, uitwendige arbeid
Calorieën = warmte eenheid
Joules= mechanische eenheid
Eiwitten, vetten, koolhydraten, voedingsvezels, alcohol en water
Leren hoeveelheid calorieën of energie per gram
o Vetten: 1 gram vet = 38 kJ = 9 kcal
o Koolhydraten: 1 gram = 17 kJ = 4 kcal
o Eiwitten: 1 gram = 17 kJ = 4 kcal
o Alcohol: 1 gram = 29 kJ = 7 kcal
7.2.1 Koolhydraten
Functie:
Leveren energie (minstens 55%)
Meervoudige zetmeel houdende koolhydraten (=trage suikers):
Spelen een belangrijke rol omdat ze geleidelijk in glucose worden omgezet en zorgen voor
een gelijkmatige aanvoer van energie
Zetmeel in brood, graanproducten, aardappel, pasta, havermout, …
Enkelvoudige suikerhoudende koolhydraten (=snelle suikers):
Sucrose, fructose, glucose, lactose in koekjes, frisdrank, chocolade, …
Deze eenvoudige koolhydraten komen snel in het bloed terecht, verhogen de
bloedsuikerspiegel en geven een kort verzadigingsgevoel. De bloedsuiker spiegel gaat dan
ook weer snel dalen, zodat men langzaam weer honger begint te krijgen
, 7.2.1.1 De glycemische index
GI= meten hoe snel voedingsproducten suikers vrijgeven
Voeding met hoge GI vermijden of combineren met voeding met lage GI
Bloedsuikerspiegel bij hoge en lage GI-maaltijd