§1 soorten
Biotische facooee = Alle vormen van invloed die organismen hebben op andere organismen.
Abiotische facooee = Alle vormen van invloed die de levenloze natuur heef op organismen.
Toleea tiegebied = De waarden voor een omgevingsfactor die een soort/ individu aankan.
Weoe schappelijk aam = Latijnse naam van een soort dat bestaat uit een geslachtsnaam
en een soortaanduiding.
Geslacho = Een van de eenheden waarmee alle planten, dieren en micro-organismen in een
ordening zijn geplaatst; het geslacht is een stapje hoger dan de soort.
Sooeo = Een groep organismen die genetisch zoveel op elkaar lijken, dat ze onderling kunnen
paren vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.
Biotische factoren
- wormpjes, insecten, schimmels en bacteriën.
Abiotische factoren
- Regen, wind en grondsoort.
Leven Optimum
Tolerantiegebied
- Buiten tolerantiegrenzen gaan individuen dood.
- Meeste individuen rond de optimumwaarde van een abiotische factor.Dood
- Bij maximum- en minimumwaarden overleven weinig individuen.
Minimum Maximum
Biotische e abiotische facooee beï lloede oega isme �
Vooe abiotische facooee heef elk oega isme ee eige ooleea tiegebied�
Wetenschappelijke naam
1. Geslacht = Voorop met een Hoofdleter de naam.
2. Soort = Komt na de geslachtsnaam met een kleine leter.
Familie
- Aantal geslachten vormt een familie.
Orde
- Aantal families vormen samen een orde.
Organismen -> soorten -> geslachten -> families -> orden
Elke sooeo heef ee weoe schappelijke aam die besoaao uio owee dele : de geslachos aam e de
sooeoaa duidi g� Sooeoe loeme geslachoe , geslachoe loeme families, families loeme oede �
, §2 populates
Mo oculouee = Het kweken van één plantensoort op een groot oppervlakte.
Plaag = Een tijdelijke hoge populatiedichtheid van een bepaalde soort.
Exooe = Organismen die door toedoen van de mens nieuw binnenkomen in een gebied.
Kloo = Het resultaat van de ongeslachtelijke voortplanting; de nakomelingen zijn genetisch
identiek aan de ouder.
O geslachoelijke looeopla ti g = Een voortplanting waarbij door delingen nieuwe
organismen ontstaan.
Weefselkweek = Een kunstmatige vorm van ongeslachtelijke voortplanting waarbij het
mogelijk is om uit één of enkele cellen ‘weefsels’ of zelfs nieuwe individuen te kweken.
Populatie = Alle individuen van een bepaalde soort binnen een bepaald gebied.
Populatiegeoote = Het aantal individuen waaruit een populatie bestaat.
Populatiedichoheid = Het aantal individuen per oppervlakte – of volume – eenheid.
Deaagkeacho = De mate waarin een ecologisch systeem een bepaalde populatiegroote van
een soort kan voeden en huisvesten.
Monocultuur
- Grote akker met één soort gewas.
- Lage productiekosten.
Plaag
- Schadelijke organismen die ernstige schade aanrichten.
- Ze planten zich razendsnel voort.
Exoten
- Soorten die door de mensen zijn geplaatst in de natuur.
Kloon
- Uit 1 zaad komen honderden zaden.
Ongeslachtelijke voortplanting
- Ze hebben dezelfde erfelijke informatie.
- Ze hebben dezelfde eigenschappen
Weefselkreek
- Kunstmatig vermeerderen door paar cellen van iets anders te gebruiken.
I ee mo oculouue soaa pla oe la éé sooeo of pla oe la éé kloo � Ee kloo o osoaao dooe
o geslachoelijke looeopla ti g� I ee mo oculouue ligge plage op de loee�
Populatie
- Veldmuizen in een akker vormen een populatie.
- Populatiegroote is het aantal individuen
- Populatiedichtheid is het aantal individuen per oppervlakte - en volume – eenheid.