Toolbox MARKTKENNIS
EXAMENVRAGEN academiejaar 2020-2021
Meerkeuzevragen → 4 keuzemogelijkheden per vraag
1. Wonen. Welke bewering is correct voor 2018?
A. Het aandeel private eigenaars in Vlaanderen schommelt rond 70%
B. Het aandeel sociale en private huurders in Vlaanderen zijn nagenoeg gelijk
C. Het aandeel sociale huurders in Vlaanderen stijgt tot boven 10%
D. Het aandeel private huurders in Vlaanderen schommelt rond 30%
2. Ability. Welke onderstaande bewering is correct ivm de verhouding van eigen middelen –
hypothecaire lening ifv de aankoop van een woning:
A. De verhouding EM en HL hangt in hoofdzaak af van de locatie van de woning
B. De verhouding EM en HL hangt onder meer af van de spaarsnelheid van de kopers
C. De verhouding EM en HL verschilt amper tussen jonge gezinnen en senioren
D. Slechts 22% van de aankopen/bouwen van een woning wordt deels of volledig
gefinancierd door een HL
3. Woonquote. Welke bewering is niet correct op basis van deze grafiek?
A. De woonquote van eigenaars met hypothecaire lening evolueerde tussen 1997 en 2013
amper
B. De woonquote van sociale huurders stijgt tot boven de bovengrens van 30%
C. De gemiddelde woonquote in Vlaanderen stijgt tussen 1997 en 2013
D. De woonquote van sociale huurders en eigenaars met een hypothecaire lening zijn in 2013
nagenoeg gelijk.
4. Willingness. Het vertrouwen van potentiële kopers in discrete goederen hangt in hoofdzaak af
van het vooruitzicht voor de 12 komende maanden van 3 van de onderstaande indicatoren.
Welke hoort daar niet bij?
A. Werkloosheid
B. Spaarcapaciteit van de gezinnen
C. Verbouwingswerken aan de woning
D. Economische situatie
EXAMENVRAGEN academiejaar 2020-2021
Meerkeuzevragen → 4 keuzemogelijkheden per vraag
1. Wonen. Welke bewering is correct voor 2018?
A. Het aandeel private eigenaars in Vlaanderen schommelt rond 70%
B. Het aandeel sociale en private huurders in Vlaanderen zijn nagenoeg gelijk
C. Het aandeel sociale huurders in Vlaanderen stijgt tot boven 10%
D. Het aandeel private huurders in Vlaanderen schommelt rond 30%
2. Ability. Welke onderstaande bewering is correct ivm de verhouding van eigen middelen –
hypothecaire lening ifv de aankoop van een woning:
A. De verhouding EM en HL hangt in hoofdzaak af van de locatie van de woning
B. De verhouding EM en HL hangt onder meer af van de spaarsnelheid van de kopers
C. De verhouding EM en HL verschilt amper tussen jonge gezinnen en senioren
D. Slechts 22% van de aankopen/bouwen van een woning wordt deels of volledig
gefinancierd door een HL
3. Woonquote. Welke bewering is niet correct op basis van deze grafiek?
A. De woonquote van eigenaars met hypothecaire lening evolueerde tussen 1997 en 2013
amper
B. De woonquote van sociale huurders stijgt tot boven de bovengrens van 30%
C. De gemiddelde woonquote in Vlaanderen stijgt tussen 1997 en 2013
D. De woonquote van sociale huurders en eigenaars met een hypothecaire lening zijn in 2013
nagenoeg gelijk.
4. Willingness. Het vertrouwen van potentiële kopers in discrete goederen hangt in hoofdzaak af
van het vooruitzicht voor de 12 komende maanden van 3 van de onderstaande indicatoren.
Welke hoort daar niet bij?
A. Werkloosheid
B. Spaarcapaciteit van de gezinnen
C. Verbouwingswerken aan de woning
D. Economische situatie