Economie samenvatting
Katern 4: Ruilen over de tijd
Hoofdstuk 2: De overheid ruilt over de tijd
2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid
Collectieve sector = De overheid en de sociale zekerheidsinstellingen
Rijksbegroting = Overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid.
Miljoenennota = De toelichting op de rijksbegroting met een beschrijving van de manier waarop de
regering het geld wil gaan uitgeven.
3 grote inkomstenbronnen van de overheid:
Directe belastingen = Belastingen over winst, inkomen en vermogen die direct aan de overheid
worden afgedragen. (Gezinshoudingen en bedrijven) (Winstbelasting/vennootschapsbelasting)
Indirecte belastingen = Kostprijsverhogende belastingen die via de aankoop van producten en
diensten indirect aan de overheid worden afgedragen. (Btw/omzetbelastingen)
-> De prijs voor de consumenten wordt verhoogd
Accijnzen zijn indirecte belastingen die geheven worden bij bijvoorbeeld sigaretten, benzine en
alcohol. De bedoeling van de overheid is om het koopgedrag van de consumenten hiermee te
beïnvloeden.
Sociale premies = Premies die geheven worden in verband met de sociale verzekeringen.
-> Iedere Nederlander met een inkomen staat een deel van zijn inkomen af in de vorm van premies
voor deze verzekeringen. De bedoeling hiervan is om de AOW (Algemene Ouderdomswet) te
financieren. Met deze premies voorzien we de werklozen en arbeidsongeschiken van een uitkering
om mee rond te komen.
Begrotingsoverschot = De inkomsten zijn groter dan de uitgaven.
Begrotingstekort = De overheid geeft meer geld uit dan ze ontvangt.
Staatsschuld = Het totaal van de schulden van de centrale overheid/ het Rijk.
Financieringssaldo = Het begrotingstekort – de aflossingen
Katern 4: Ruilen over de tijd
Hoofdstuk 2: De overheid ruilt over de tijd
2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid
Collectieve sector = De overheid en de sociale zekerheidsinstellingen
Rijksbegroting = Overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid.
Miljoenennota = De toelichting op de rijksbegroting met een beschrijving van de manier waarop de
regering het geld wil gaan uitgeven.
3 grote inkomstenbronnen van de overheid:
Directe belastingen = Belastingen over winst, inkomen en vermogen die direct aan de overheid
worden afgedragen. (Gezinshoudingen en bedrijven) (Winstbelasting/vennootschapsbelasting)
Indirecte belastingen = Kostprijsverhogende belastingen die via de aankoop van producten en
diensten indirect aan de overheid worden afgedragen. (Btw/omzetbelastingen)
-> De prijs voor de consumenten wordt verhoogd
Accijnzen zijn indirecte belastingen die geheven worden bij bijvoorbeeld sigaretten, benzine en
alcohol. De bedoeling van de overheid is om het koopgedrag van de consumenten hiermee te
beïnvloeden.
Sociale premies = Premies die geheven worden in verband met de sociale verzekeringen.
-> Iedere Nederlander met een inkomen staat een deel van zijn inkomen af in de vorm van premies
voor deze verzekeringen. De bedoeling hiervan is om de AOW (Algemene Ouderdomswet) te
financieren. Met deze premies voorzien we de werklozen en arbeidsongeschiken van een uitkering
om mee rond te komen.
Begrotingsoverschot = De inkomsten zijn groter dan de uitgaven.
Begrotingstekort = De overheid geeft meer geld uit dan ze ontvangt.
Staatsschuld = Het totaal van de schulden van de centrale overheid/ het Rijk.
Financieringssaldo = Het begrotingstekort – de aflossingen