Samenvatting microbiologie periode 3 Mondzorgkunde propedeuse
Herhaling periode 1+2
Lichtmicroscopie
Waarnemingen aan micro-organismen: 1000-voudige vergroting
kleurstoffen om contrastverschillen te creëren onderscheid maken = gram-kleuring
grampositieve en gramnegatieve bacteriën onderscheiden
Bacteriën (prokaryoten)
- Kokken (micro-, duplo-, tetra-, strepto-, stafylo-)
Streptokokken zijn een keten van kokken
Stafylokokken zijn druiventrosjes
- Staven (recht-, krom-, gespiraliseerde)
- Spirocheten (gespiraliseerde staven in de mond)
- Bevatten geen echte kern met daaromheen een
kernmembraan
- DNA is aanwezig in cytoplasma als circulaire
dubbelstrengs DNA-draad met een helix structuur
(nucleoïde, zichtbaar op elektronenmicroscopische
foto’s) – ligt opgevouwen in de cel.
- Er kunnen bacteriële plasmiden voorkomen:
soortgelijke circulaire DNA draden, maar hun totale individuele lengte is veel kleiner,
bevatten aanvullende informatie
Te onderscheiden in:
* vegetatieve cel (gewoon ‘cel’)
Cytoplasma, celmembraan, celwand (gram+/-), celwandaanhangsels (zoals flagellen en pili)
* slapende cel (spore)
Disscociëren = uiteenvallen
Genen van een DNA-keten kunnen overgaan naar een andere (chromosoom of plasmide)
uitwisseling van genen kan ontstaan gevaar van resistentieaccumulatie!
Voorbeeld resistentieaccumulatie:
Bacterie A en bacterie B dragen een verschillend plasmide met minimaal 1 resistentie-gen over naar
bacterie C. In bacterie C ontstaat vervolgens een plasmide met 5 verschillende genen. Dit is dan een
groot plasmide geworden dat overgedragen wordt aan bacterie D. In bacterie D ontstaat een
plasmide met 8 verschillende resistentie-genen. Bacterie D kan deze zomaar overdragen aan bacterie
E die geen plasmides heeft waardoor bacterie E in 1 klap resistent is tegen veel verschillende
antibiotica!
Ribosomen
Kleine, granulaire (=korrelvormig) stucturen die betrokken zijn bij de eiwitsynthese.
- Bevatten 60% RNA + 40% eiwit – aanwezige eiwitten zijn allemaal enzymen
- Ribosomen van prokaryoten zijn kleiner dan die van eukaryoten
- rRNA is specifiek geeft ieder betrokken enzym een plek op het ribosoom
Herhaling periode 1+2
Lichtmicroscopie
Waarnemingen aan micro-organismen: 1000-voudige vergroting
kleurstoffen om contrastverschillen te creëren onderscheid maken = gram-kleuring
grampositieve en gramnegatieve bacteriën onderscheiden
Bacteriën (prokaryoten)
- Kokken (micro-, duplo-, tetra-, strepto-, stafylo-)
Streptokokken zijn een keten van kokken
Stafylokokken zijn druiventrosjes
- Staven (recht-, krom-, gespiraliseerde)
- Spirocheten (gespiraliseerde staven in de mond)
- Bevatten geen echte kern met daaromheen een
kernmembraan
- DNA is aanwezig in cytoplasma als circulaire
dubbelstrengs DNA-draad met een helix structuur
(nucleoïde, zichtbaar op elektronenmicroscopische
foto’s) – ligt opgevouwen in de cel.
- Er kunnen bacteriële plasmiden voorkomen:
soortgelijke circulaire DNA draden, maar hun totale individuele lengte is veel kleiner,
bevatten aanvullende informatie
Te onderscheiden in:
* vegetatieve cel (gewoon ‘cel’)
Cytoplasma, celmembraan, celwand (gram+/-), celwandaanhangsels (zoals flagellen en pili)
* slapende cel (spore)
Disscociëren = uiteenvallen
Genen van een DNA-keten kunnen overgaan naar een andere (chromosoom of plasmide)
uitwisseling van genen kan ontstaan gevaar van resistentieaccumulatie!
Voorbeeld resistentieaccumulatie:
Bacterie A en bacterie B dragen een verschillend plasmide met minimaal 1 resistentie-gen over naar
bacterie C. In bacterie C ontstaat vervolgens een plasmide met 5 verschillende genen. Dit is dan een
groot plasmide geworden dat overgedragen wordt aan bacterie D. In bacterie D ontstaat een
plasmide met 8 verschillende resistentie-genen. Bacterie D kan deze zomaar overdragen aan bacterie
E die geen plasmides heeft waardoor bacterie E in 1 klap resistent is tegen veel verschillende
antibiotica!
Ribosomen
Kleine, granulaire (=korrelvormig) stucturen die betrokken zijn bij de eiwitsynthese.
- Bevatten 60% RNA + 40% eiwit – aanwezige eiwitten zijn allemaal enzymen
- Ribosomen van prokaryoten zijn kleiner dan die van eukaryoten
- rRNA is specifiek geeft ieder betrokken enzym een plek op het ribosoom