Proefopgaven ontwikkelingspsychologie
Echte toets: 14 open vragen, kennis, inzicht en toepassing. Soms bestaat een vraag uit meerdere
onderdelen: kijk na of alles is beantwoord. Geef ook definities om een beperkt aantal punten te halen.
Let bij cases op het antwoord ook echt naar de case te vertalen.
1 - onderzoek
Een onderzoeker wil weten hoe gezondheidsgedrag samenhangt met leeftijd. Hij wil daarbij het
cohorteffect vermijden. Welk type onderzoeksopzet moet hij kiezen, en waarom?
2 - erfelijkheid
Hoe zie je nature en nurture terug in de theorie van Piaget?
3 - morele ontwikkeling
Wat zouden 1/ een kleuter en 2/ een kind van 10 antwoorden op de onderstaande vraag? Licht het
antwoord toe.
Maartje helpt oma en zet een kopje in de kast. Het kopje valt uit haar handen en breekt.
Dieuwertje mag van haar oma niet aan de kopjes komen. Ze doet het toch. Er valt een kopje, maar
het blijft gelukkig heel.
Wie van de twee is het stoutst?
4 - identiteitsontwikkeling
Mark van zes wil absoluut geen roze t-shirt dragen. Geef hiervoor twee verklaringen vanuit de
leertheorie.
5 - systeembenadering
Wat zijn in de ecologische systeemtheorie van Bronfenbrenner het micro-, meso-, exo- en macro
systeem? Geef van alle vier een omschrijving en een voorbeeld.
6 – taal- en cognitieve ontwikkeling
Basje van drie is gek op tum-tummetjes. Mama noemt ze altijd ‘snoepjes’ en voor Bas heten ze
‘noepies’. Op visite vraagt de vriendin van mama: Bas, wil je een snoepje? Ze geeft Bas een
schuimpje. Bas begrijpt er niets van... dat is toch geen snoepje?
a - Bas denkt dat alle snoepjes tum-tummetjes zijn. Wat is de naam van deze (taal)fout?
b - Hoe heet het cognitieve proces (Piaget) dat plaatsvindt als Bas zou aanvaarden dat er ook andere
soorten snoepjes bestaan?
7 - Fysieke ontwikkeling
Wat zijn celvermeerdering, celmigratie en celdifferentiatie en bij welk proces spelen ze een rol?
Echte toets: 14 open vragen, kennis, inzicht en toepassing. Soms bestaat een vraag uit meerdere
onderdelen: kijk na of alles is beantwoord. Geef ook definities om een beperkt aantal punten te halen.
Let bij cases op het antwoord ook echt naar de case te vertalen.
1 - onderzoek
Een onderzoeker wil weten hoe gezondheidsgedrag samenhangt met leeftijd. Hij wil daarbij het
cohorteffect vermijden. Welk type onderzoeksopzet moet hij kiezen, en waarom?
2 - erfelijkheid
Hoe zie je nature en nurture terug in de theorie van Piaget?
3 - morele ontwikkeling
Wat zouden 1/ een kleuter en 2/ een kind van 10 antwoorden op de onderstaande vraag? Licht het
antwoord toe.
Maartje helpt oma en zet een kopje in de kast. Het kopje valt uit haar handen en breekt.
Dieuwertje mag van haar oma niet aan de kopjes komen. Ze doet het toch. Er valt een kopje, maar
het blijft gelukkig heel.
Wie van de twee is het stoutst?
4 - identiteitsontwikkeling
Mark van zes wil absoluut geen roze t-shirt dragen. Geef hiervoor twee verklaringen vanuit de
leertheorie.
5 - systeembenadering
Wat zijn in de ecologische systeemtheorie van Bronfenbrenner het micro-, meso-, exo- en macro
systeem? Geef van alle vier een omschrijving en een voorbeeld.
6 – taal- en cognitieve ontwikkeling
Basje van drie is gek op tum-tummetjes. Mama noemt ze altijd ‘snoepjes’ en voor Bas heten ze
‘noepies’. Op visite vraagt de vriendin van mama: Bas, wil je een snoepje? Ze geeft Bas een
schuimpje. Bas begrijpt er niets van... dat is toch geen snoepje?
a - Bas denkt dat alle snoepjes tum-tummetjes zijn. Wat is de naam van deze (taal)fout?
b - Hoe heet het cognitieve proces (Piaget) dat plaatsvindt als Bas zou aanvaarden dat er ook andere
soorten snoepjes bestaan?
7 - Fysieke ontwikkeling
Wat zijn celvermeerdering, celmigratie en celdifferentiatie en bij welk proces spelen ze een rol?