Leerdoelen:
Leerdoel 1: Hoe werkt klassiek conditioneren? (Verzamel hier ook informatie over leren in het algemeen, vormen
van leren en de bijbehorende stroming)?
Behavioristische leertherapie: concentreert zich op het hier en nu, en niet op het verleden. De therapeut
werkt als coach en leert de patiënt nieuwe reacties aan die bestaande, problematische gedragingen kunnen
vervangen.
Leren: een proces waardoor ervaringen een blijvende verandering veroorzaken in het gedrag of in de
cognitieve processen.
Het leidt tot een blijvende verandering in gedrag.
Het leidt tot een verandering in cognitieve processen.
Habituatie: simpele manier van leren waarbij het gaat om het niet reageren op een stimulus. Hierdoor
kun je je makkelijker concentreren op belangrijke stimuli.
Mere exposure-effect: de voorkeur voor stimuli waaraan we al eerder zijn blootgesteld.
Stimulus-respons-leren: twee complexere vormen van leren: klassieke conditionering en operante
conditionering.
Klassieke conditionering (Pavlov): een elementaire vorm van leren waarbij een stimulus die een
aangeboren reflex oproept, wordt geassocieerd met een voorheen neutrale stimulus, die daarop
het vermogen verwerft om dezelfde respons op te roepen.
Wanneer een neutrale stimulus (een stimulus die van nature geen reactie oproept),
gekoppeld wordt aan een reflex oproepende stimulus, deze neutrale respons na verloop van
tijd een aangeleerde respons zal oproepen die gelijk is aan de oorspronkelijke reflex.
Ongeconditioneerde stimulus: een stimulus die zonder conditionering een reflexieve respons
oproept. Deze respons heet de ongeconditioneerde respons.
Verwervingsfase: een neutrale stimulus wordt herhaaldelijk met de ongeconditioneerde
stimulus aangeboden. Dit wordt contiguïteit genoemd.
Na een aantal pogingen zal de neutrale stimulus dezelfde respons oproepen als de
ongeconditioneerde stimulus. De oorspronkelijk neutrale stimulus is veranderd in een
geconditioneerde stimulus. De respons noemen we nu een geconditioneerde respons.
Voor motorische responsen is een korte interval van minder dan een seconde het best.
Voor viscerale responsen werken langere intervallen van vijf tot vijftien seconden het beste.
Extinctie: door gedurende een aantal pogingen de geconditioneerde stimulus aan te bieden
en de ongeconditioneerde stimulus achterwege te laten, konden de geconditioneerde
responsen weer verdwijnen.
Spontaan herstel: het terugkeren van een uitgedoofde geconditioneerde respons na een
rustperiode. Dit vindt plaats wanneer de geconditioneerde respons, na extinctie en een
daaropvolgende periode zonder blootstelling aan de geconditioneerde stimulus, zich opnieuw
voordoet als reactie op de geconditioneerde stimulus.
Stimulusgeneralisatie: het proces waarbij je een geconditioneerde respons vertoont op
stimuli die op de geconditioneerde stimulus lijken.
Stimulusdiscriminatie/selectief leren: doet zich voor als een organisme leert op een bepaalde
stimulus te reageren, maar niet op gelijksoortige stimuli.
Conditionering van hogere orde: responsen die met klassieke conditionering zijn geleerd, die een
domino-effect opleveren waarin het een tot het ander leidt, zodat een al geconditioneerde
stimulus kan worden toegevoegd aan een nieuwe stimulus. Daardoor ontstaat een soort ladder
van nieuwe stimuli die de respons uitlokken.
Cognitief leren: leren waarbij het accent verschuift van extern gedrag naar interne cognitieve
processen.
Leerdoel 2: Wat zijn praktische toepassingen van klassiek conditioneren?
De kleine Albert: een baby werd geconditioneerd, zodat hij angstig ging reageren op een witte rat. De rat
was een neutrale stimulus, die herhaalde malen werd aangeboden en tegelijkertijd werd de baby laten
schrikken door op een metalen staaf te slaan achter het hoofd van de jongen. Deze luide klank fungeerde
als een aversieve of angstopwekkende ongeconditioneerde stimulus. In zeven pogingen was albert
geconditioneerd dat de rat alleen hem al angst inboezemde.