Burgerlijk procesrecht & Insolventierecht
B2 – 2016/2017
Week 2B: Bewijsrecht
1. Leerdoelen
Aan het einde van deze week kunt u:
1. de volgende begrippen en onderwerpen herkennen, opsommen, toelichten, hanteren en
toepassen aan de hand van concrete voorbeelden en er verbanden tussen leggen:
Toepasselijkheid van het bewijsrecht in de verschillende soorten civiele procedures
Bewijslastverdeling
Bewijsaanbod
(Voorlopige) bewijsmiddelen, in het bijzonder:
o Schriftelijk bewijs
o Getuigenverhoor
o Deskundigenbericht
o Plaatsopneming en bezichtiging
Bewijswaardering
Onrechtmatig verkregen bewijs
2. de kern van een uitspraak lezen, aangeven wat de centrale vraag is waarover de rechterlijke
instanties zich hebben gebogen en wat de kernoverwegingen van die instanties zijn geweest bij
het beantwoorden van die vraag en het kunnen duiden van het commentaar in de
jurisprudentiebundel op die uitspraak;
3. een casus bestuderen en analyseren met het oog op het formuleren van de te beantwoorden
rechtsvraag, alsmede met het oog op het vergaren van informatie die kan worden gebruikt bij het
schriftelijk, volledig, gemotiveerd en met behulp van de wet en de jurisprudentie beantwoorden
van die rechtsvraag.
2. Literatuur
Hugenholtz/Heemskerk: nummers 77-96 en 140
Kort begrip KEI: paragrafen 6.4 en 6.6
Bewijs, paragraaf 3.5 (zie Blackboard).
C.J-A. Seinen, ‘De gevolgtrekking die hij geraden acht. Sancties op schending van de
waarheidsplicht’, TCR 2014. Nr. 3, p. 84-95 (zie Blackboard).
1
,3. Jurisprudentie
Geheel:
Waarheidsplicht, HR 25 maart 2011, NJ 2012/627 met noot Snijders (bundel nr. 8);
Val uit ziekenhuisbed, HR 13 januari 1995, NJ 1997, 175, met noot Brunner (bundel nr.
18);
Noenmaal, HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592, met noot Brunner (bundel nr. 20);
Driessen/Van Gelder, HR 16 oktober 1987, NJ 1988, 850, met noot Alkema (bundel nr.
23);
Frog/Floriade, HR 11 februari 2005, NJ 2005, 442, met noot Asser (bundel nr. 27);
Bewijsbeslag, HR 13 september 2013 (bundel nr. 28);
Ongeval Sint Oedenrode, HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 813 (bundel nr. 30);
Omkeringsregel, HR 23 november 2012, NJ 2012, 669 (bundel nr. 31);
De Limburger, HR 1 maart 2013, NJ 2013, 337, met noot Dommering (bundel nr. 36);
HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942 (Blackboard).
Alleen de opgegeven rechtsoverweging(en):
Schook/Vergeer, HR 18 december 1987, NJ 1988, 679, met noot Heemskerk (bundel nr.
24): r.o. 3.2;
Goodwin, EHRM 27 maart 1996, NJ 1996, 577, met noot Dommering (bundel nr. 33):
r.o. 39-41.
Opdrachten
Opmerkingen vooraf:
1. KEI brengt geen wijzigingen voor de regels van het bewijsrecht van art. 149 e.v.
2. Tenzij anders aangegeven of expliciet naar gevraagd, kunt u er bij de beantwoording van de
vragen van uitgaan dat het toepasselijke recht onder KEI ook overigens niet verandert. Noem in
de toelichting op uw antwoord waar relevant steeds de wetsbepalingen onder zowel huidig recht
als KEI.
3. Tenzij anders aangegeven, wordt in de vragen de terminologie onder KEI gehanteerd.
Opmerkingen vooraf:
Bewijsrecht veranderd niet wezenlijk in KEI
Vonnis komt voor in een dagvaardingsprocedure
Opdracht 1: De zaak Bonifatius/Radboud
2
,Hieronder is een vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden opgenomen. Vanwege de
gefaseerde invoering van KEI zijn er nog (bijna) geen gepubliceerde vonnissen in
vorderingsprocedures, vandaar nog dit vonnis in een dagvaardingsprocedure.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
AFDELING PRIVAATRECHT
LOCATIE LEEUWARDEN
Zaak/rolnummer 584832/13-5947
Vonnis d.d. 22 januari 2014
De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Woningbouwvereniging “Bonifatius”,
gevestigd en kantoorhoudende te Dokkum,
eiseres, bij dagvaarding van 12 augustus 2013,
verder te noemen Bonifatius,
gemachtigde W. Clemens,
tegen
Koning Radboud,
wonende te Dokkum,
gedaagde,
verder te noemen Radboud,
gemachtigde mr. F.C.J.M. van Sorge.
1. Het verloop van de procedure
Bij dagvaarding heeft Bonifatius gevorderd dat het de
kantonrechter behage, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de
huurovereenkomst met Radboud te ontbinden met veroordeling tot
ontruiming van het gehuurde.
Radboud heeft onder overlegging van producties geconcludeerd voor
antwoord, strekkende tot afwijzing van de vorderingen.
Bonifatius heeft vervolgens, onder overlegging van producties
gerepliceerd en Radboud heeft gedupliceerd.
2. De vaststaande feiten
2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of
niet langer weersproken – alsmede blijkens de overgelegde en
niet betwiste bescheiden – staat het volgende vast:
3
,2.2 Radboud heeft van Bonifatius gehuurd de onroerende zaak met
aanhorigheden, staande en gelegen te Dokkum, Liudgerleane
10.
2.3 Deze overeenkomst is schriftelijk vastgelegd en een
huurreglement maakt daarvan deel uit.
3. De stellingen van partijen
3.1 Bonifatius stelt dat Radboud in strijd met het huurreglement
(met name art. 4 leden 2 en 3) deze woning niet zelf
bewoont, maar aan een derde, die niet tot Radbouds
gezinshuishouding behoort, te weten mevrouw Fridwulfa, in
gebruik heeft afgestaan.
3.2 Radboud betwist de stellingen van Bonifatius gemotiveerd.
Hij stelt dat hij de onderhavige woning nog steeds zelf
bewoont. Mevrouw Fridwulfa is een goede vriendin, die in
Bergen woont en regelmatig bij hem logeert.
4. Beoordeling
Gelet op de gemotiveerde betwisting door Radboud van de
stellingen van Bonifatius zal Bonifatius tot het bewijs van haar
stellingen worden toegelaten.
5. Beslissing
De kantonrechter:
Alvorens verder te beslissen:
Laat Bonifatius toe, door alle middelen rechtens en speciaal door
getuigen, te bewijzen: dat Radboud de onderhavige woning niet
meer zelf bewoont, maar aan mevrouw Fridwulfa, die niet tot zijn
gezinshuishouding behoort, in gebruik heeft afgestaan.
Verwijst de zaak naar de terechtzitting van 3 september 2014 te
10.00 uur, opdat Bonifatius zich erover kan uitlaten of zij dit
bewijs kan opbrengen en zo ja, indien zulks door getuigen dient
te geschieden, hoeveel getuigen zij dan wenst voor te brengen,
waarna een datum voor het getuigenverhoor zal worden bepaald.
Aldus gewezen door de kantonrechter mr. D. Salomons en in het
openbaar uitgesproken op 12 augustus 2014.
Beantwoord aan de hand van dit vonnis de volgende vragen.
4
, 1. Op welke grond zijn de feiten die onder r.o. 2.2-2.3 van het vonnis worden
genoemd, komen vast te staan? Noem het wetsartikel uit het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering waarop deze overwegingen zijn gebaseerd.
In 2.1 kan je zien waarom de feiten vaststaan. Feiten staan vast doordat deze feiten niet betwist
zijn door de wederpartij en daarom mag er aangenomen worden dat ze vaststaande feiten zijn
o.g.v. art. 149 lid 1RV tweede zin.
Hier gaat het om schriftelijk bewijs. De feiten dienen schriftelijk te worden vastgesteld d.m.v.
een akte conform art. 156 Rv.
Ter informatie:
Hoe kunnen feiten vast staan?
Hoofdregel van bewijsrecht: zie art. 149 lid 1 sub 1 Rv
- Feiten zijn bewezen, denk aan getuigengehoor of een advies van een deskundige
- Feiten zijn op andere wijze komen vast te staan, dit is:
1. Niet betwiste feiten, tenzij: rechtsgevolgen niet ter vrije bepaling van pp (149 lid 1
sub 2)
a. Gerechtelijke erkentenis 154. Verstek 139
i. 139: als gedaagde er niet is, dan kan eiser ook niet procederen.
b. Geen/niet voldoende gemotiveerd verweer
c. Referte
2. Feiten van algemene bekendheid, algemene ervaringsregels > dit hoeft niet bewezen
te worden
3. Objectieve recht > men mag ervan uitgaan dat de rechter het weet
2a. Waarom moet Bonifatius – en niet Radboud – haar stellingen bewijzen? Noem ook
hier het wetsartikel waarop deze beslissing is gebaseerd.
Bonifatius is in dit geval een verhuurder die een zaak aanspant tegen de huurder. Bonifatius wil
ontbinding van de ovk en ontruiming. Bonifatius wil dit, omdat er hier sprake is van
onderverhuur, er is dus hier wanprestatie geleverd doordat dit in strijd is met de
huurovereenkomst.
Krachtens art. 150 RV moet de partij die zich op een rechtsgevolg beroept, moet stellen en
daarmee ook de bewijslast draagt. Bonifatius heeft namelijk gesteld dat Raboud in strijd heeft
gehandeld en daarom moet Bonifatius haar stellingen bewijzen volgens art. 150 Rv.
Het rechtsgevolg waar verhuurder op beroept is ontbinding van de huurovereenkomst en
ontruiming van de huurder. Onderverhuur moet gesteld worden, wil verhuurder de huurovk
ontbinden. Maar wat moet er door de verhuurder worden gesteld? Materiële wet geeft aan wie de
bewijslast draagt. Dit kan expliciet als impliciet zijn.
5
, Feiten staan vast als de feiten niet of niet voldoende betwist zijn. De feiten die niet vaststaan
waar bewijs op toe ziet, daar kan sprake zijn van betwisting. In dit geval is dat zo, er is sprake
van betwisting dat voldoende gemotiveerd wordt, want er wordt gezegd dat die mevrouw een
bezoeker is en slechts af en toe bij Radboud logeert. De stelregel is: hoe uitvoeriger de stelling is,
hoe uitvoeriger de motivering dient te zijn.
Doordat er betwist wordt, moet er daadwerkelijk over worden gegaan tot het leveren van bewijs,
vandaar dat de rechter de verhuurder een bewijsopdracht geeft.
Echter, de huurder stelt ook iets, namelijk dat de bezoeker daar niet woont, er is sprake van een
zuivere betwisting (dus hoeft niet worden bewezen) van de onderverhuur> hierbij is van belang
het arrest van Ongeval st. Oedenrode r.o. 3.2 : ingevolge de hoofdregel van art. 170 oud RV
(150 RV) is de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten belast met
het bewijs van die feiten. Uit deze regel kan niet worden afgeleid dat de wederpartij de feiten
moet bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting van de eerder bedoelde feiten.
In geval van een bevrijdend verweer moet de tegenpartij tevens zijn eigen stelling bewijzen.
Wel kan er tegenbewijs worden geleverd. De verhuurder mag als eerste getuigen oproepen.
Daarna mag de huurder getuigen doen horen en tegenbewijs leveren.
Ter informatie:
Stelplicht
Stelplicht= een stap/fase voorafgaand de betwisting. De eiser moet alle feiten stellen die nodig
zijn om het rechtsgevolg dat hij wil bereiken, in te roepen.
Bijv. A vordert schadevergoeding vanwege onrechtmatige daad jegens S. A moet dan stellen dat
hiervan sprake is door de voorwaarden van art. 6:162 BW af te gaan. Er moet wel aan alle
voorwaarden zijn voldaan.
Materiele wet geeft aan wie de bewijslast draagt.
Expliciet:
2:138 lid 3 BW: de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijk taakvervulling door het bestuur
niet aan hem is te wijten, is niet aansprakelijk
Impliciet:
- Een bijzin dat begint met het woordje “tenzij”
6:74 BW:
- (weerlegbaar) wettelijk vermoeden
o 3:119 Als iemand bezitter is, dan wordt er een ander feit van afgeleid, want dan
wordt je vermoed ook rechthebbende te zijn.
2b. Betekent dit nu dat eiser altijd de bewijslast krijgt?
Nee, want dit hangt af van hoe het verweer wordt gevoerd afgeleid van art. 150 Rv
6
B2 – 2016/2017
Week 2B: Bewijsrecht
1. Leerdoelen
Aan het einde van deze week kunt u:
1. de volgende begrippen en onderwerpen herkennen, opsommen, toelichten, hanteren en
toepassen aan de hand van concrete voorbeelden en er verbanden tussen leggen:
Toepasselijkheid van het bewijsrecht in de verschillende soorten civiele procedures
Bewijslastverdeling
Bewijsaanbod
(Voorlopige) bewijsmiddelen, in het bijzonder:
o Schriftelijk bewijs
o Getuigenverhoor
o Deskundigenbericht
o Plaatsopneming en bezichtiging
Bewijswaardering
Onrechtmatig verkregen bewijs
2. de kern van een uitspraak lezen, aangeven wat de centrale vraag is waarover de rechterlijke
instanties zich hebben gebogen en wat de kernoverwegingen van die instanties zijn geweest bij
het beantwoorden van die vraag en het kunnen duiden van het commentaar in de
jurisprudentiebundel op die uitspraak;
3. een casus bestuderen en analyseren met het oog op het formuleren van de te beantwoorden
rechtsvraag, alsmede met het oog op het vergaren van informatie die kan worden gebruikt bij het
schriftelijk, volledig, gemotiveerd en met behulp van de wet en de jurisprudentie beantwoorden
van die rechtsvraag.
2. Literatuur
Hugenholtz/Heemskerk: nummers 77-96 en 140
Kort begrip KEI: paragrafen 6.4 en 6.6
Bewijs, paragraaf 3.5 (zie Blackboard).
C.J-A. Seinen, ‘De gevolgtrekking die hij geraden acht. Sancties op schending van de
waarheidsplicht’, TCR 2014. Nr. 3, p. 84-95 (zie Blackboard).
1
,3. Jurisprudentie
Geheel:
Waarheidsplicht, HR 25 maart 2011, NJ 2012/627 met noot Snijders (bundel nr. 8);
Val uit ziekenhuisbed, HR 13 januari 1995, NJ 1997, 175, met noot Brunner (bundel nr.
18);
Noenmaal, HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592, met noot Brunner (bundel nr. 20);
Driessen/Van Gelder, HR 16 oktober 1987, NJ 1988, 850, met noot Alkema (bundel nr.
23);
Frog/Floriade, HR 11 februari 2005, NJ 2005, 442, met noot Asser (bundel nr. 27);
Bewijsbeslag, HR 13 september 2013 (bundel nr. 28);
Ongeval Sint Oedenrode, HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 813 (bundel nr. 30);
Omkeringsregel, HR 23 november 2012, NJ 2012, 669 (bundel nr. 31);
De Limburger, HR 1 maart 2013, NJ 2013, 337, met noot Dommering (bundel nr. 36);
HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942 (Blackboard).
Alleen de opgegeven rechtsoverweging(en):
Schook/Vergeer, HR 18 december 1987, NJ 1988, 679, met noot Heemskerk (bundel nr.
24): r.o. 3.2;
Goodwin, EHRM 27 maart 1996, NJ 1996, 577, met noot Dommering (bundel nr. 33):
r.o. 39-41.
Opdrachten
Opmerkingen vooraf:
1. KEI brengt geen wijzigingen voor de regels van het bewijsrecht van art. 149 e.v.
2. Tenzij anders aangegeven of expliciet naar gevraagd, kunt u er bij de beantwoording van de
vragen van uitgaan dat het toepasselijke recht onder KEI ook overigens niet verandert. Noem in
de toelichting op uw antwoord waar relevant steeds de wetsbepalingen onder zowel huidig recht
als KEI.
3. Tenzij anders aangegeven, wordt in de vragen de terminologie onder KEI gehanteerd.
Opmerkingen vooraf:
Bewijsrecht veranderd niet wezenlijk in KEI
Vonnis komt voor in een dagvaardingsprocedure
Opdracht 1: De zaak Bonifatius/Radboud
2
,Hieronder is een vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden opgenomen. Vanwege de
gefaseerde invoering van KEI zijn er nog (bijna) geen gepubliceerde vonnissen in
vorderingsprocedures, vandaar nog dit vonnis in een dagvaardingsprocedure.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
AFDELING PRIVAATRECHT
LOCATIE LEEUWARDEN
Zaak/rolnummer 584832/13-5947
Vonnis d.d. 22 januari 2014
De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Woningbouwvereniging “Bonifatius”,
gevestigd en kantoorhoudende te Dokkum,
eiseres, bij dagvaarding van 12 augustus 2013,
verder te noemen Bonifatius,
gemachtigde W. Clemens,
tegen
Koning Radboud,
wonende te Dokkum,
gedaagde,
verder te noemen Radboud,
gemachtigde mr. F.C.J.M. van Sorge.
1. Het verloop van de procedure
Bij dagvaarding heeft Bonifatius gevorderd dat het de
kantonrechter behage, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de
huurovereenkomst met Radboud te ontbinden met veroordeling tot
ontruiming van het gehuurde.
Radboud heeft onder overlegging van producties geconcludeerd voor
antwoord, strekkende tot afwijzing van de vorderingen.
Bonifatius heeft vervolgens, onder overlegging van producties
gerepliceerd en Radboud heeft gedupliceerd.
2. De vaststaande feiten
2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of
niet langer weersproken – alsmede blijkens de overgelegde en
niet betwiste bescheiden – staat het volgende vast:
3
,2.2 Radboud heeft van Bonifatius gehuurd de onroerende zaak met
aanhorigheden, staande en gelegen te Dokkum, Liudgerleane
10.
2.3 Deze overeenkomst is schriftelijk vastgelegd en een
huurreglement maakt daarvan deel uit.
3. De stellingen van partijen
3.1 Bonifatius stelt dat Radboud in strijd met het huurreglement
(met name art. 4 leden 2 en 3) deze woning niet zelf
bewoont, maar aan een derde, die niet tot Radbouds
gezinshuishouding behoort, te weten mevrouw Fridwulfa, in
gebruik heeft afgestaan.
3.2 Radboud betwist de stellingen van Bonifatius gemotiveerd.
Hij stelt dat hij de onderhavige woning nog steeds zelf
bewoont. Mevrouw Fridwulfa is een goede vriendin, die in
Bergen woont en regelmatig bij hem logeert.
4. Beoordeling
Gelet op de gemotiveerde betwisting door Radboud van de
stellingen van Bonifatius zal Bonifatius tot het bewijs van haar
stellingen worden toegelaten.
5. Beslissing
De kantonrechter:
Alvorens verder te beslissen:
Laat Bonifatius toe, door alle middelen rechtens en speciaal door
getuigen, te bewijzen: dat Radboud de onderhavige woning niet
meer zelf bewoont, maar aan mevrouw Fridwulfa, die niet tot zijn
gezinshuishouding behoort, in gebruik heeft afgestaan.
Verwijst de zaak naar de terechtzitting van 3 september 2014 te
10.00 uur, opdat Bonifatius zich erover kan uitlaten of zij dit
bewijs kan opbrengen en zo ja, indien zulks door getuigen dient
te geschieden, hoeveel getuigen zij dan wenst voor te brengen,
waarna een datum voor het getuigenverhoor zal worden bepaald.
Aldus gewezen door de kantonrechter mr. D. Salomons en in het
openbaar uitgesproken op 12 augustus 2014.
Beantwoord aan de hand van dit vonnis de volgende vragen.
4
, 1. Op welke grond zijn de feiten die onder r.o. 2.2-2.3 van het vonnis worden
genoemd, komen vast te staan? Noem het wetsartikel uit het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering waarop deze overwegingen zijn gebaseerd.
In 2.1 kan je zien waarom de feiten vaststaan. Feiten staan vast doordat deze feiten niet betwist
zijn door de wederpartij en daarom mag er aangenomen worden dat ze vaststaande feiten zijn
o.g.v. art. 149 lid 1RV tweede zin.
Hier gaat het om schriftelijk bewijs. De feiten dienen schriftelijk te worden vastgesteld d.m.v.
een akte conform art. 156 Rv.
Ter informatie:
Hoe kunnen feiten vast staan?
Hoofdregel van bewijsrecht: zie art. 149 lid 1 sub 1 Rv
- Feiten zijn bewezen, denk aan getuigengehoor of een advies van een deskundige
- Feiten zijn op andere wijze komen vast te staan, dit is:
1. Niet betwiste feiten, tenzij: rechtsgevolgen niet ter vrije bepaling van pp (149 lid 1
sub 2)
a. Gerechtelijke erkentenis 154. Verstek 139
i. 139: als gedaagde er niet is, dan kan eiser ook niet procederen.
b. Geen/niet voldoende gemotiveerd verweer
c. Referte
2. Feiten van algemene bekendheid, algemene ervaringsregels > dit hoeft niet bewezen
te worden
3. Objectieve recht > men mag ervan uitgaan dat de rechter het weet
2a. Waarom moet Bonifatius – en niet Radboud – haar stellingen bewijzen? Noem ook
hier het wetsartikel waarop deze beslissing is gebaseerd.
Bonifatius is in dit geval een verhuurder die een zaak aanspant tegen de huurder. Bonifatius wil
ontbinding van de ovk en ontruiming. Bonifatius wil dit, omdat er hier sprake is van
onderverhuur, er is dus hier wanprestatie geleverd doordat dit in strijd is met de
huurovereenkomst.
Krachtens art. 150 RV moet de partij die zich op een rechtsgevolg beroept, moet stellen en
daarmee ook de bewijslast draagt. Bonifatius heeft namelijk gesteld dat Raboud in strijd heeft
gehandeld en daarom moet Bonifatius haar stellingen bewijzen volgens art. 150 Rv.
Het rechtsgevolg waar verhuurder op beroept is ontbinding van de huurovereenkomst en
ontruiming van de huurder. Onderverhuur moet gesteld worden, wil verhuurder de huurovk
ontbinden. Maar wat moet er door de verhuurder worden gesteld? Materiële wet geeft aan wie de
bewijslast draagt. Dit kan expliciet als impliciet zijn.
5
, Feiten staan vast als de feiten niet of niet voldoende betwist zijn. De feiten die niet vaststaan
waar bewijs op toe ziet, daar kan sprake zijn van betwisting. In dit geval is dat zo, er is sprake
van betwisting dat voldoende gemotiveerd wordt, want er wordt gezegd dat die mevrouw een
bezoeker is en slechts af en toe bij Radboud logeert. De stelregel is: hoe uitvoeriger de stelling is,
hoe uitvoeriger de motivering dient te zijn.
Doordat er betwist wordt, moet er daadwerkelijk over worden gegaan tot het leveren van bewijs,
vandaar dat de rechter de verhuurder een bewijsopdracht geeft.
Echter, de huurder stelt ook iets, namelijk dat de bezoeker daar niet woont, er is sprake van een
zuivere betwisting (dus hoeft niet worden bewezen) van de onderverhuur> hierbij is van belang
het arrest van Ongeval st. Oedenrode r.o. 3.2 : ingevolge de hoofdregel van art. 170 oud RV
(150 RV) is de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten belast met
het bewijs van die feiten. Uit deze regel kan niet worden afgeleid dat de wederpartij de feiten
moet bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting van de eerder bedoelde feiten.
In geval van een bevrijdend verweer moet de tegenpartij tevens zijn eigen stelling bewijzen.
Wel kan er tegenbewijs worden geleverd. De verhuurder mag als eerste getuigen oproepen.
Daarna mag de huurder getuigen doen horen en tegenbewijs leveren.
Ter informatie:
Stelplicht
Stelplicht= een stap/fase voorafgaand de betwisting. De eiser moet alle feiten stellen die nodig
zijn om het rechtsgevolg dat hij wil bereiken, in te roepen.
Bijv. A vordert schadevergoeding vanwege onrechtmatige daad jegens S. A moet dan stellen dat
hiervan sprake is door de voorwaarden van art. 6:162 BW af te gaan. Er moet wel aan alle
voorwaarden zijn voldaan.
Materiele wet geeft aan wie de bewijslast draagt.
Expliciet:
2:138 lid 3 BW: de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijk taakvervulling door het bestuur
niet aan hem is te wijten, is niet aansprakelijk
Impliciet:
- Een bijzin dat begint met het woordje “tenzij”
6:74 BW:
- (weerlegbaar) wettelijk vermoeden
o 3:119 Als iemand bezitter is, dan wordt er een ander feit van afgeleid, want dan
wordt je vermoed ook rechthebbende te zijn.
2b. Betekent dit nu dat eiser altijd de bewijslast krijgt?
Nee, want dit hangt af van hoe het verweer wordt gevoerd afgeleid van art. 150 Rv
6