Psychodiagnostiek
HOOFDSTUK 1: belang van psychodiagnostiek
1. alledaags impliciet diagnosticeren
diagnosticeren= toekennen van oorzaken aan verschijnselen of gedragingen
→ gebeurt impliciet (onbewust), iedereen doet het, elke dag
→ vaak gebruikt als entertainment
problemen: oordeelsfouten o.w.v te korten en vertekeningen in het denken (foutenbronnen)
→ omgaan met kansen en waarschijnlijkheden → mensen zijn slecht met schatten
→ oorzaak van foutbronnen → mensen redeneren niet statisch, maar via
heuristieken
=regels om sneller tot de oplossing van een probleem te komen (vaak onbewust)
- beschikbaarheidsheuristiek= als iets makkelijk uit het geheugen op te halen is,
schatten mensen dat dit vaker gebeurt
- representativiteitsheuristiek= hoe meer iemand overeenkomstige kenmerken
vertoont die typisch zijn voor de leden van een bepaalde groep, hoe groter de kans is
dat die persoon ook tot de groep behoort
→ meer gebruik van heuristieken indien meer ervaring met een thema
2. impliciet diagnosticeren in de psychodiagnostiek
mogelijke foutenbronnen
- geen systematische en consistente werkwijze
- informatie zoeken die idee bevestigt (confirmation bias)
- te vlug adviezen formuleren
- gebrekkige betrouwbaarheid en validiteit van de onderzoeksmiddelen en ongeschikte normen
- voor de hand liggende diagnosen en interventies over het hoofd zien
- diagnostisch proces onvoldoende afgestemd op de hulpvragen van de cliënt
- besluitvorming onvoldoende gebaseerd op beschikbare gegevens
→ geen objectieve criteria hanteren (= verhoging van de subjectiviteit)
- besluitvorming onvoldoende geëxpliciteerd en dus onduidelijk voor collega’s en cliënten
- eigen persoon als foutenbron → bv. advies geven dat ooit voor jou had gewerkt
- onvoldoende samenwerking met cliënt en zijn omgeving
- teveel vakjargon in de communicatie
→ fouten kunnen verminderd worden door expliciete diagnostiek (duidelijk en systematisch)
3. expliciet diagnosticeren als oplossing
psychodiagnostisch procesmodel= wetenschappelijk verantwoorde vormgeving van het proces
o.b.v. valide en betrouwbare producten (instrumenten/ methodieken)
→ basis= empirische cyclus
→ belang= adviezen en behandelingen op maat van de cliënt
,in de praktijk:
- explicieter werken met (gevalideerde) theorieën
- bewust rekenschap geven van de keuze van bepaalde theorie
- praktijkkennis gebaseerd op gesystematiseerde praktijkervaringen
- duidelijk de denkstappen vastleggen die geleid hebben tot het advies
- onderzoek doen naar de waarde van theorieën en de effecten van interventies
- resultaten (durven) uitwisselen met collega’s
belang:
=expliciete diagnosticeren door wetenschappelijk opgeleide psychodiagnostici die mogelijkheden
en kansen gaan schatten, afwegen en herzien o.b.v. psychodiagnostisch procesmodel
→ adviezen en behandelingen op maat van de cliënt
, HOOFDSTUK 2: geschiedenis van de psychodiagnostiek:
1. van focus op tests…
1.1 belang van context
1.1.1 historische voorlopers
2200v. chr → rat race= ratten zijn vaak met velen op dezelfde plaats → mensen
willen ook allemaal hetzelfde plekje, gaat niet dus daarom selectie
- selectie in Chinese keizerrijk
- Gideonsbende → selectie om in de oorlogsbende te geraken
- nu: overheid, politie, bedrijven,...
4e eeuw v chr → griekse typologie
- ze gingen mensen opdelen, beschrijven in types
- Hippocrates, Plato,...
- nu: big five
13e eeuw → schoolprestaties via examens
- universiteit van Bologna: mondeling
- nu: LVS (leerlingvolgsysteem) in België
16e eeuw → meten van uitzonderlijke intelligentie
- eerste poging door Huarte (Spanje)
18e-19e eeuw → ph o.b.v uiterlijk
- frenologie= studie van de schedel
- nu: samenhang tussen lichamelijke, biologische kenmerken en intelligentie
1.1.2 maatschappelijke context
einde 19E eeuw → Europa
- bevolkingsgroei, verstedelijking → mensen selecteren, afwijkend gedrag
identificeren
- opkomst wetenschappen en biologie → ontstaan psychologie
emigratie vanuit Europa
- VS: verspreiding tests en test misbruik
- immigranten
WOI (1914-1918) → recruiting leger
- collectieve test: intelligentie, ph → groepstesten
- meestal niet evidence based
na WOII (‘40-’45) → VS: diversiteit in test en testgebruik
- test voor specifieke vaardigheden (selectie)
- toename beschikbare test
- sterkere kritische bezinning en theoretische achtergronden
na WOII (‘40-’45) → EU: in schaduw van VS
, - tot 1950: intuïtieve psychodiagnostiek
1.2 eind 19de eeuw
1.2.1 bijdrage uit aanverwante disciplines
1: psychiatrie
1A: bijdrage psychiatrie
Pinel (1745)
- zachte psychologische aanpak: open, vriendelijk, activiteiten, verzorging,...
- diagnostiek obv. observatie en onderzoek
- dossier voor elke patiënt
- kennis bij personeel door training
Esquirol (1772)
- zwakzinnigheid is permanent en ongeneeslijk
- krankzinnigheid kan ontstaan op latere leeftijd en kan wel verbeteren
- maakte schetsen van stoornissen
Seguin (1812)
- idiotie door degeneratie van het centraal zenuwstelsel
- zwakzinnigheid is veranderlijk door het zenuwstelsel te trainen
- trainingsmethode: met kinderen, focus op motorische en sensorische functies
Kraepelin (1859)
- eerste classificatie in de psychiatrie: verloop, oorzaak en afloop →
voorloper DSM
- nadruk op fysiologische oorzaak, test en meting is noodzakelijk
1B: bijdrage experimentele psychologie
meetnauwkeurigheid
- algemene wetmatigheden → kijken naar gelijkenissen (↔ psychiatrie)
- Wundt: denksnelheid en waarneming
- Ebbinghaus: eerste meting geheugenspanne
meetinstrumenten
- tachistoscoop, chronograaf,...
- ontwikkeling van methoden voor meten van AV
standaardisatie en hypothesen toetsen
- manipulatie van onderzoekscondities:
→ storende factoren uitschakelen
→ nauwkeurige schattingen van fouten
→ belang van standaardisatie
- interpretatie: als omstandigheden gelijk zijn, zijn gevonden verschillen toe
te schrijven aan personen
- toetsen van hypothesen: basis voor empirische cyclus
beperkingen → focus op:
- algemene wetten en samenhangen, NIET op afwijkingen en verhschillen
HOOFDSTUK 1: belang van psychodiagnostiek
1. alledaags impliciet diagnosticeren
diagnosticeren= toekennen van oorzaken aan verschijnselen of gedragingen
→ gebeurt impliciet (onbewust), iedereen doet het, elke dag
→ vaak gebruikt als entertainment
problemen: oordeelsfouten o.w.v te korten en vertekeningen in het denken (foutenbronnen)
→ omgaan met kansen en waarschijnlijkheden → mensen zijn slecht met schatten
→ oorzaak van foutbronnen → mensen redeneren niet statisch, maar via
heuristieken
=regels om sneller tot de oplossing van een probleem te komen (vaak onbewust)
- beschikbaarheidsheuristiek= als iets makkelijk uit het geheugen op te halen is,
schatten mensen dat dit vaker gebeurt
- representativiteitsheuristiek= hoe meer iemand overeenkomstige kenmerken
vertoont die typisch zijn voor de leden van een bepaalde groep, hoe groter de kans is
dat die persoon ook tot de groep behoort
→ meer gebruik van heuristieken indien meer ervaring met een thema
2. impliciet diagnosticeren in de psychodiagnostiek
mogelijke foutenbronnen
- geen systematische en consistente werkwijze
- informatie zoeken die idee bevestigt (confirmation bias)
- te vlug adviezen formuleren
- gebrekkige betrouwbaarheid en validiteit van de onderzoeksmiddelen en ongeschikte normen
- voor de hand liggende diagnosen en interventies over het hoofd zien
- diagnostisch proces onvoldoende afgestemd op de hulpvragen van de cliënt
- besluitvorming onvoldoende gebaseerd op beschikbare gegevens
→ geen objectieve criteria hanteren (= verhoging van de subjectiviteit)
- besluitvorming onvoldoende geëxpliciteerd en dus onduidelijk voor collega’s en cliënten
- eigen persoon als foutenbron → bv. advies geven dat ooit voor jou had gewerkt
- onvoldoende samenwerking met cliënt en zijn omgeving
- teveel vakjargon in de communicatie
→ fouten kunnen verminderd worden door expliciete diagnostiek (duidelijk en systematisch)
3. expliciet diagnosticeren als oplossing
psychodiagnostisch procesmodel= wetenschappelijk verantwoorde vormgeving van het proces
o.b.v. valide en betrouwbare producten (instrumenten/ methodieken)
→ basis= empirische cyclus
→ belang= adviezen en behandelingen op maat van de cliënt
,in de praktijk:
- explicieter werken met (gevalideerde) theorieën
- bewust rekenschap geven van de keuze van bepaalde theorie
- praktijkkennis gebaseerd op gesystematiseerde praktijkervaringen
- duidelijk de denkstappen vastleggen die geleid hebben tot het advies
- onderzoek doen naar de waarde van theorieën en de effecten van interventies
- resultaten (durven) uitwisselen met collega’s
belang:
=expliciete diagnosticeren door wetenschappelijk opgeleide psychodiagnostici die mogelijkheden
en kansen gaan schatten, afwegen en herzien o.b.v. psychodiagnostisch procesmodel
→ adviezen en behandelingen op maat van de cliënt
, HOOFDSTUK 2: geschiedenis van de psychodiagnostiek:
1. van focus op tests…
1.1 belang van context
1.1.1 historische voorlopers
2200v. chr → rat race= ratten zijn vaak met velen op dezelfde plaats → mensen
willen ook allemaal hetzelfde plekje, gaat niet dus daarom selectie
- selectie in Chinese keizerrijk
- Gideonsbende → selectie om in de oorlogsbende te geraken
- nu: overheid, politie, bedrijven,...
4e eeuw v chr → griekse typologie
- ze gingen mensen opdelen, beschrijven in types
- Hippocrates, Plato,...
- nu: big five
13e eeuw → schoolprestaties via examens
- universiteit van Bologna: mondeling
- nu: LVS (leerlingvolgsysteem) in België
16e eeuw → meten van uitzonderlijke intelligentie
- eerste poging door Huarte (Spanje)
18e-19e eeuw → ph o.b.v uiterlijk
- frenologie= studie van de schedel
- nu: samenhang tussen lichamelijke, biologische kenmerken en intelligentie
1.1.2 maatschappelijke context
einde 19E eeuw → Europa
- bevolkingsgroei, verstedelijking → mensen selecteren, afwijkend gedrag
identificeren
- opkomst wetenschappen en biologie → ontstaan psychologie
emigratie vanuit Europa
- VS: verspreiding tests en test misbruik
- immigranten
WOI (1914-1918) → recruiting leger
- collectieve test: intelligentie, ph → groepstesten
- meestal niet evidence based
na WOII (‘40-’45) → VS: diversiteit in test en testgebruik
- test voor specifieke vaardigheden (selectie)
- toename beschikbare test
- sterkere kritische bezinning en theoretische achtergronden
na WOII (‘40-’45) → EU: in schaduw van VS
, - tot 1950: intuïtieve psychodiagnostiek
1.2 eind 19de eeuw
1.2.1 bijdrage uit aanverwante disciplines
1: psychiatrie
1A: bijdrage psychiatrie
Pinel (1745)
- zachte psychologische aanpak: open, vriendelijk, activiteiten, verzorging,...
- diagnostiek obv. observatie en onderzoek
- dossier voor elke patiënt
- kennis bij personeel door training
Esquirol (1772)
- zwakzinnigheid is permanent en ongeneeslijk
- krankzinnigheid kan ontstaan op latere leeftijd en kan wel verbeteren
- maakte schetsen van stoornissen
Seguin (1812)
- idiotie door degeneratie van het centraal zenuwstelsel
- zwakzinnigheid is veranderlijk door het zenuwstelsel te trainen
- trainingsmethode: met kinderen, focus op motorische en sensorische functies
Kraepelin (1859)
- eerste classificatie in de psychiatrie: verloop, oorzaak en afloop →
voorloper DSM
- nadruk op fysiologische oorzaak, test en meting is noodzakelijk
1B: bijdrage experimentele psychologie
meetnauwkeurigheid
- algemene wetmatigheden → kijken naar gelijkenissen (↔ psychiatrie)
- Wundt: denksnelheid en waarneming
- Ebbinghaus: eerste meting geheugenspanne
meetinstrumenten
- tachistoscoop, chronograaf,...
- ontwikkeling van methoden voor meten van AV
standaardisatie en hypothesen toetsen
- manipulatie van onderzoekscondities:
→ storende factoren uitschakelen
→ nauwkeurige schattingen van fouten
→ belang van standaardisatie
- interpretatie: als omstandigheden gelijk zijn, zijn gevonden verschillen toe
te schrijven aan personen
- toetsen van hypothesen: basis voor empirische cyclus
beperkingen → focus op:
- algemene wetten en samenhangen, NIET op afwijkingen en verhschillen