Hoofdstuk 1
1.1
Op grond van stroomgeleiding kun je drie soorten stoffen onderscheiden:
○ metalen
- stoffen die uitsluitend bestaan uit metaalatomen
- geleiden stroom in de vaste en in de vloeibare fase
- zijn bij kamertemperatuur vast, behalve kwik.
○ moleculaire stoffen
- stoffen die uitsluitend bestaan uit niet-metaalatomen
- geleiden geen stroom
○ zouten
- stoffen die zijn opgebouwd uit een metaal en een niet-metaal
- alleen opgeloste en gesmolten zouten kunnen stroom geleiden
- vaak stoffen in de aardbodem
1.2
Reacties kun je verklaren met het atoommodel van Dalton:
➢ Alle atomen van één atoomsoort zijn aan elkaar gelijk, en anders dan de atomen van
een andere atoomsoort.
➢ Bij een reactie hergroeperen atomen tot nieuwe moleculen.
➢ De atomen blijven daarbij behouden.
○ Thomson ontdekte dat je negatief geladen deeltjes, elektronen, uit een atoom vrij
kunt maken.
○ Dat betekent dat de rest van het atoom positief geladen moet zijn.
■ Volgens het atoommodel van Rutherford bestaat een atoom uit een kern en een
elektronenwolk.
■ De kern bevat dus positief geladen protonen.
○ Elektronen bevinden zich op vaste afstand van de kern.
○ Die noem je elektronenschillen.
○ Bohr gebruikte de letters K, L, M, N, … voor zijn schillen.
○ Bij scheikunde noteer je in plaats van de letter het aantal elektronen in elke schil.
○ Per schil is er slechts ruimte voor een beperkt aantal elektronen:
○ maximaal 2 in de K-schil
○ maximaal 8 in de L-schil
○ maximaal 18 in de M-schil
, ○ De verdeling van de elektronen over de schillen heet de elektronenconfiguratie
○ Deze kun je vinden in Binas tabel 99.
○ Een natriumatoom heeft de elektronenconfiguratie 2,8,1.
○ Vanaf periode 4 staat in tabel 99 de vulling van de eerste schillen in het vakje van het
periodenummer.
○ Deze getallen gelden voor alle atomen in die periode.
○ Je kunt de reactiviteit van elementen verklaren door naar de opvulling van de schillen
te kijken.
○ Een helium atoom heeft 2 elektronen in de eerste schil.
○ De eerste schil is dan vol.
○ Een heliumatoom reageert nergens mee, helium is een edelgas.
○ Dit geldt ook voor de andere elementen van groep 18.
○ Alle andere atomen in groep 18 hebben 8 elektronen in de buitenste schil.
○ Dus een atoom met 8 elektronen in de buitenste schil, zal niet reageren.
deeltje plaats in een atoom massa lading
proton kern 1u +1
neutron kern 1u 0
elektron elektronenschil 0 (1/2000) -1
○ Bij veel atoomsoorten komen isotopen voor.
○ Dit zijn atomen met hetzelfde atoomnummer, dus hetzelfde aantal protonen maar
met een ander massagetal, dus een verschillend aantal neutronen.
○ Het atoomnummer bepaalt de plaats in een periodiek systeem, isotopen hebben dus
dezelfde plaats.
○ iso = gelijk, topos = plaats
○ In binas tabel 25A staan alle isotopen per atoomsoort.
○ Als het isotoop 31P is, betekent het dat het massagetal 31 is. In dit geval zijn er dus 15
protonen en 16 neutronen.
○ Een proton en een neutron hebben elk een massa van 1u
○ 1u = 1,66 ・10-27 kg (Binas tabel 7B)
1.1
Op grond van stroomgeleiding kun je drie soorten stoffen onderscheiden:
○ metalen
- stoffen die uitsluitend bestaan uit metaalatomen
- geleiden stroom in de vaste en in de vloeibare fase
- zijn bij kamertemperatuur vast, behalve kwik.
○ moleculaire stoffen
- stoffen die uitsluitend bestaan uit niet-metaalatomen
- geleiden geen stroom
○ zouten
- stoffen die zijn opgebouwd uit een metaal en een niet-metaal
- alleen opgeloste en gesmolten zouten kunnen stroom geleiden
- vaak stoffen in de aardbodem
1.2
Reacties kun je verklaren met het atoommodel van Dalton:
➢ Alle atomen van één atoomsoort zijn aan elkaar gelijk, en anders dan de atomen van
een andere atoomsoort.
➢ Bij een reactie hergroeperen atomen tot nieuwe moleculen.
➢ De atomen blijven daarbij behouden.
○ Thomson ontdekte dat je negatief geladen deeltjes, elektronen, uit een atoom vrij
kunt maken.
○ Dat betekent dat de rest van het atoom positief geladen moet zijn.
■ Volgens het atoommodel van Rutherford bestaat een atoom uit een kern en een
elektronenwolk.
■ De kern bevat dus positief geladen protonen.
○ Elektronen bevinden zich op vaste afstand van de kern.
○ Die noem je elektronenschillen.
○ Bohr gebruikte de letters K, L, M, N, … voor zijn schillen.
○ Bij scheikunde noteer je in plaats van de letter het aantal elektronen in elke schil.
○ Per schil is er slechts ruimte voor een beperkt aantal elektronen:
○ maximaal 2 in de K-schil
○ maximaal 8 in de L-schil
○ maximaal 18 in de M-schil
, ○ De verdeling van de elektronen over de schillen heet de elektronenconfiguratie
○ Deze kun je vinden in Binas tabel 99.
○ Een natriumatoom heeft de elektronenconfiguratie 2,8,1.
○ Vanaf periode 4 staat in tabel 99 de vulling van de eerste schillen in het vakje van het
periodenummer.
○ Deze getallen gelden voor alle atomen in die periode.
○ Je kunt de reactiviteit van elementen verklaren door naar de opvulling van de schillen
te kijken.
○ Een helium atoom heeft 2 elektronen in de eerste schil.
○ De eerste schil is dan vol.
○ Een heliumatoom reageert nergens mee, helium is een edelgas.
○ Dit geldt ook voor de andere elementen van groep 18.
○ Alle andere atomen in groep 18 hebben 8 elektronen in de buitenste schil.
○ Dus een atoom met 8 elektronen in de buitenste schil, zal niet reageren.
deeltje plaats in een atoom massa lading
proton kern 1u +1
neutron kern 1u 0
elektron elektronenschil 0 (1/2000) -1
○ Bij veel atoomsoorten komen isotopen voor.
○ Dit zijn atomen met hetzelfde atoomnummer, dus hetzelfde aantal protonen maar
met een ander massagetal, dus een verschillend aantal neutronen.
○ Het atoomnummer bepaalt de plaats in een periodiek systeem, isotopen hebben dus
dezelfde plaats.
○ iso = gelijk, topos = plaats
○ In binas tabel 25A staan alle isotopen per atoomsoort.
○ Als het isotoop 31P is, betekent het dat het massagetal 31 is. In dit geval zijn er dus 15
protonen en 16 neutronen.
○ Een proton en een neutron hebben elk een massa van 1u
○ 1u = 1,66 ・10-27 kg (Binas tabel 7B)