Research Methods – Concepts and Connections
Michael W. Passer
Hoofdstuk 5 – Correlation: basic concepts
Correlatie = de samenhang tussen twee variabelen. Een correlatie bestaat uit twee
variabelen: X en Y. VB: hoogte (X) hangt samen met gewicht (Y), omdat langere mensen
vaak meer wegen dan kortere mensen.
Correlational research (≈ relational research) = wanneer een onderzoeker de
verbanden tussen variabelen die niet door de onderzoeker worden gemanipuleerd
onderzoekt. VB: als we bijvoorbeeld willen weten wat de relatie is tussen bewegen en
overgewicht, dan leggen we een vragenlijst aan mensen met vragen over hun
beweeggedrag en gewicht. Nu weten we of er een correlatie is tussen bewegen en
overgewicht. Echter weten we nog niet of er sprake is van een oorzakelijk verband (dus
GEEN causaal verband).
Stappen om correlationeel onderzoek uit te voeren:
1. Het meten van variabele X.
2. Het meten van variabele Y.
3. Statistisch analyseren of er verband is tussen X en Y.
4. Proberen om verstorende variabelen te elimineren.
*in correlationeel onderzoek wordt NIET gemanipuleerd, puur gemeten
In correlationeel onderzoek kunnen de volgende bronnen worden onderzocht:
1. X en Y zijn karakteristieken van dezelfde persoon VB: is er een relatie tussen
zelfvertrouwen (X) en angst (Y).
2. X en Y zijn karakteristieken van verschillende, maar gerelateerde, sets van groepen
VB: is er een relatie tussen het zelfvertrouwen van kinderen (X) en het zelfvertrouwen
van ouders (Y).
3. X is een persoonlijke karakteristiek en Y is een omgevingskarakteristiek VB: zijn
mensen agressiever (X) als het buiten warmer is (Y).
Positieve correlaties = hoge scores op de ene variabele gaan samen met hoge scores
op de andere variabele en lage scores op de ene variabele gaan samen met lage scores
op de andere variabele.
Negatieve correlaties = hoge scores op de ene variabele gaan samen met lage scores
op de andere variabele.
Scatter plot (≈ scattergram) = een grafiek waarmee relaties tussen twee of meer
variabelen wordt weergegeven.
Michael W. Passer
Hoofdstuk 5 – Correlation: basic concepts
Correlatie = de samenhang tussen twee variabelen. Een correlatie bestaat uit twee
variabelen: X en Y. VB: hoogte (X) hangt samen met gewicht (Y), omdat langere mensen
vaak meer wegen dan kortere mensen.
Correlational research (≈ relational research) = wanneer een onderzoeker de
verbanden tussen variabelen die niet door de onderzoeker worden gemanipuleerd
onderzoekt. VB: als we bijvoorbeeld willen weten wat de relatie is tussen bewegen en
overgewicht, dan leggen we een vragenlijst aan mensen met vragen over hun
beweeggedrag en gewicht. Nu weten we of er een correlatie is tussen bewegen en
overgewicht. Echter weten we nog niet of er sprake is van een oorzakelijk verband (dus
GEEN causaal verband).
Stappen om correlationeel onderzoek uit te voeren:
1. Het meten van variabele X.
2. Het meten van variabele Y.
3. Statistisch analyseren of er verband is tussen X en Y.
4. Proberen om verstorende variabelen te elimineren.
*in correlationeel onderzoek wordt NIET gemanipuleerd, puur gemeten
In correlationeel onderzoek kunnen de volgende bronnen worden onderzocht:
1. X en Y zijn karakteristieken van dezelfde persoon VB: is er een relatie tussen
zelfvertrouwen (X) en angst (Y).
2. X en Y zijn karakteristieken van verschillende, maar gerelateerde, sets van groepen
VB: is er een relatie tussen het zelfvertrouwen van kinderen (X) en het zelfvertrouwen
van ouders (Y).
3. X is een persoonlijke karakteristiek en Y is een omgevingskarakteristiek VB: zijn
mensen agressiever (X) als het buiten warmer is (Y).
Positieve correlaties = hoge scores op de ene variabele gaan samen met hoge scores
op de andere variabele en lage scores op de ene variabele gaan samen met lage scores
op de andere variabele.
Negatieve correlaties = hoge scores op de ene variabele gaan samen met lage scores
op de andere variabele.
Scatter plot (≈ scattergram) = een grafiek waarmee relaties tussen twee of meer
variabelen wordt weergegeven.