Waar/Niet waar stellingen:
1. Bij dyslexie hoeft het begrijpend lezen en het schrijven van begrijpelijke teksten niet
aangetast te zijn.
a. Antwoord = waar; Het hoeft niet aangetast te zijn, maar het verwerken van
teksten verloopt traag vanwege het gebrek aan leestechniek op woordniveau.
2. Gemiddeld heeft 12% van het voortgezet onderwijs een dyslexieverklaring
a. Antwoord = waar
3. Problemen met letterkennis, in het bijzonder met het (snel) identificeren en benoemen
van klank-tekenkoppelingen, is de primaire indicatie dat het leerproces niet goed
verloopt
a. Antwoord = waar
4. Protocol dyslexie mbo/IDAA-mbo, is een digitaal- interactief instrument. Met dit
screeningsonderzoek worden problemen met twee vaardigheden getoetst:
- lezen met behulp van geflitste woorden
- taal
a. Antwoord = niet waar.
Er worden drie vaardigheden getoetst:
- lezen met behulp van geflitste woorden
- taal
- rekenen
5. Bij het screeningsinstrument beginnende geletterdheid komen drie toetsen aan bod:
Toets 1: klankbewustzijn
Toets 2: receptieve letterkennis
Toets 3: productieve letterkennis
a. Antwoord = waar
6. Processen, zoals de snelheid van informatie verwerken, hebben invloed op
instrumentele vaardigheden zoals technisch lezen en spellen, die geautomatiseerd
moeten worden. Dit is voor een groot deel erfelijk bepaald.
a. Waar. Door een onderzoek met eeneiige tweelingen (100% overeenkomst) en
twee-eiige tweelingen (50% overeenkomst), blijkt dat de invloed van
erfelijkheid op de ontwikkeling van technisch lezen en spellen geschat kan
worden op maar liefst zestig tot tachtig procent (Olson e.a., 2014). Veertig tot
twintig procent resteert voor de omgevingsfactoren.
7. Om een (hoger) beheersingsniveau te bereiken (voor het lezen), is aanleg een
belangrijkere factor dan het oefenen zelf.
a. Niet waar. Hoe meer er geoefend wordt, des te hoger is het algemeen
beheersingsniveau. De onderlinge verschillen zijn wel in behoorlijke mate
erfelijk bepaald, maar niemand leert lezen als die vaardigheid niet geoefend
wordt. Sommige leerlingen hebben meer aanleg dan andere.
8. Bij dyslexie is er meestal een erfelijke factor in het spel.
a. Waar. Dit constateerde de Zweedse onderzoeker Hallgren in 1950. Een kind
van wie een van de ouders en andere directe bloedverwanten dyslectisch zijn,
maakt een veel grotere kans om de stoornis te krijgen dan bij een kind bij wie
dat niet het geval is.
9. De kans op dyslexie is groter voor meisjes dan voor jongens.