• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 3 out of 15 pages
Summary

Samenvatting Organisatieanalyse (Vitale organisaties) [BKM/HRM NHL Hogeschool]

Document preview thumbnail
Preview 3 out of 15 pages

Samenvatting van het boek Vitale Organisaties van J. Heijnsdijk, horende bij het vak Organisatieanalyse. Samengevatte hoofdstukken: H1-5, H9-16 & H22-23. Zelf gebruikt voor het tweede jaar van de studie Bedrijfskunde-MER aan de NHL Hogeschool. Cijfer behaald met deze samenvatting: 9,0.

Content preview

Deze samenvatting bestaat uit drie hoofdonderdelen: analyse (H1-5), interpretatie (H9-16)
en diagnose (H22-23) – Rest van het boek niet relevant voor het tentamen!

Onderdeel 1. ANALYSE (H1 – H5)
H1. Bestudering van organisaties (organisatietheorie)

Organisatieanalyse heeft als uitgangspunt dat het functioneren van een organisatie voor
een groot deel wordt bepaald door de manier waarop kenmerken van de organisatie, de
omgeving en de mensen elkaar beïnvloeden.

Wat is een organisatie? > Een organisatie is een dynamisch levend geheel: het bestaat uit
een samenwerkingsverband tussen mensen, middelen en het doel. het is de taak van de
manager om een goed evenwicht te vinden hierin.
 Management is dus: het inzetten van mensen en middelen om het doel te bereiken.

Hoe je dit doel moet bereiken wordt de contingentiebenadering genoemd.




If staat voor de omgeving: als de omgeving dit vraagt then moeten we om het doel te
bereiken deze bedrijfsbesturing (klassiek) of processen (procesbenadering) uitvoeren.

Bij organisaties die produceren zijn er drie verschillende productietechnologieën:
1. Stukproductie: weinig niveaus, kleine werkgroepen, geschoolde werkers, veel
participatie en flexibiliteit, etc. (op maat gemaakte producten bijvoorbeeld).
2. Massaproductie: veel rapporteren aan de top (cijfers), duidelijke taken, slechte
arbeidsverhoudingen want weinig invloed werknemer, lopende band werk.
3. Procesproductie: veel managementniveaus; werken als teamverbanden waarbij elk
proces zelfstandig is; goede persoonlijke relaties, jonge competente managers.

Bij stukproductie is er meer flexibiliteit (dus meer probleemoplossend vermogen nodig) dan
bij bijvoorbeeld massaproductie (waar er veel routine is) – De “fit” tussen routine en
probleemoplossend vermogen is samengevat in figuur hieronder:


Voorbeelden bij de assen (FIT’s):

A = research & development; weinig
routine en veel probleemsituaties.
D = lopende band werk; veel routine
en heel weinig probleemsituaties.

B en C zijn misfits: werk waar
routine is zijn weinig problemen;
maar die capaciteiten zijn er wel dus
kan men die niet kwijt = niet happy!


1

,De mate van routinisering en probleemoplossend vermogen van een functie wordt
beïnvloed door vier verschillende factoren:
1. Omgeving (dynamiek, uiteenlopende preferenties)  Routine
2. Technologie (complexiteit, specialiteit)  Routine
3. Beroepskarakteristieken (soort werk, de visie)  Probleemoplossend v.
4. Socio-culturele achtergrond (kennis, openheid)  Probleemoplossend v.

Mintzberg heeft organisaties ingedeeld in hokjes; de structurele configuratie.

Soort organisatie Manier van coördinatie Basisdeel v/d organisatie Voorbeeld
Simpele structuur Directe leiding baas aan pers. Strategische top: de baas. Klein bedrijfje
Machinebureaucratie Standaardisatie werkprocessen De technostructuur: de Lopende band-
managers leggen uit. werk.
Prof. bureaucratie Standaardisatie vaardigheden Uitvoerend deel: de arts. Ziekenhuis
Divisiestructuur Standaardisatie van output. Middenkader: Teamleider Ahold
Adhocratie Wederzijdse aanpassing; Ondersteunende afdeling. Apple; werken in
flexibiliteit & vrijheid. vrije projecten.

Volgens Mintzberg zijn er 5 basisonderdelen van organisaties:




1. Strategische top: directeuren; bepalen lange termijn visie op strategisch niveau.
2. Middenkader: midden management; hebben autoriteit en beslissen tactisch.
3. Uitvoerenden: voeren het werk/het primaire proces uit.
4. Technostructuur: medewerkers die werk van anderen beïnvloeden. Ontwerpen,
plannen, controleren, administreren, etc. maar voeren het werk niet zelf uit.
5. Hulpdiensten: ondersteunende diensten die niet het primaire proces beïnvloeden
zoals bijvoorbeeld de schoonmakers en de catering.

Managementfilter = De mogelijkheid om besluiten te vertragen of te versnellen op basis van
impulsen uit de volgende 3 instrumenten:
1. Omgeving
2. Medewerkers / managementstijl
3. Organisatie / taakverdeling



!!! Belangrijk !!! 




2

, H2. Strategische Variabelen

Strategische variabelen positioneren een organisatie ten opzichte van zijn omgeving. De
SWOT-analyse hoort hier direct bij: let goed op het verschil tussen kansen en keuzes –
- Kansen en bedreigingen komen van buiten (extern)
- Sterktes en zwaktes komen van binnen (intern)

Missie = Waar ga ik voor?  VB Apple: “Ingewikkelde tech eenvoudig maken voor mensen.”
Visie = Waar sta ik als organisatie voor?

Een organisatie is een open systeem:
het heeft interne en externe belanghebbenden.

Omgeving:
1. Directe externe omgeving (afnemers,
banken, vakbonden, etc.)
2. Indirecte externe omgeving
(conjunctuur, opleidingsniveau, etc.)

3. Interne omgeving van een organisatie.


Er zijn 4 theorieën voor het bekijken van de positie van een product in de markt.
1. De productmarktmatrix van Ansoff
Ansoff plaatst producten in “hokjes” om de positie van een product te bepalen:




2. De levenscyclus van een product: Ontwikkeling  Expansie  Consolidatie (gelijk
niveau)  Neergang/afbouw
3. Levenscyclus Boston Consulting Group; product bestaat uit vier fases.
Fase 1) Wild cat: potentiele marktgroei groot, nog niet erg concurrerend product.
Benodigde manager: Ondernemer.
Fase 2) Star: veel groeipotentie, sterk concurrerend product. (Hype!!!)
Benodigde manager: Bouwer.
Fase 3) Cash cow: geen ontwikkeling meer; groei is er uit. Zo veel mogelijk uitmelken
om nieuwe wild cats en stars te financieren. Benodigde manager: Beheerder
Fase 4) Dog: product dat aan afbouw toe is – benodigde manager: Afbouwer.
4. Het concurrentiemodel van Porter: hoeveel macht de “krachten” hebben bepaalt
de mate van concurrentie voor jouw product. De krachten zijn  de macht van de
leveranciers, het aantal substituut producten, de macht van de afnemers en de
kans op nieuwe toetreders in de markt.


3

Document information

Study
Uploaded on
October 30, 2016
File latest updated on
November 3, 2016
Number of pages
15
Written in
2016/2017
Type
Summary
$6.86
Purchased by 15 students

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
rutgerdevries2
4.0
(41)
Sold
102
Followers
52
Items
5
Last sold
4 year ago


Reviews from verified buyers




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions