Zelfstudievragen WEEK 2 excl. antwoorden
1. Hoe laat het Nederlandse vermogensrecht zich volgens Van Rede onderverdelen? Op welke
manier komt dit onderscheid tot uiting? Het Nederlandse vermogensrecht laat zich onderverdelen
in het verbintenissenrecht en het goederenrecht. In het verbintenissenrecht staat de
partijautonomie centraal, terwijl bij het goederenrecht de partijautonomie ondergeschikt is aan
regels die dienen bij te dragen aan de rechtszekerheid. Deze tweedeling komt tot uiting door het
onderscheid tussen goederenrechtelijke/absolute rechten en persoonlijke/relatieve rechten.
2. Waarin ligt volgens de studieboeken het verschil tussen absolute werking en relatieve werking
van rechten? Rechten met absolute werking zijn rechten op goederen die de rechthebbende in
beginsel tegenover iedereen in kan roepen. Rechten met relatieve werking zijn rechten die niet
tegenover eenieder inroepbaar zijn, maar slechts tegenover bepaalde personen, namelijk degene
met wie men in een verbintenisrechtelijke verhouding staat.
3. Wat bedoelt Van Rede wanneer hij spreekt van het risico van ‘dogmatische gewenning’? Het
risico dat de absolute werking van goederenrechtelijke rechten vaak als zo vanzelfsprekend wordt
gezien dat we niet door hebben dat de werking van het beginsel als een verklaring wordt gezien.
4. Waarom laat het ‘schoolvoorbeeld’ volgens van Rede de oorzaak van de absolute werking van
goederenrechtelijke rechten onbesproken? Het legt niet uit waarom het onderscheid tussen
absolute en relatieve rechten bestaat, alleen hoe de absolute werking werkt.
5. De drie vragen die Van Rede centraal stelt, impliceren volgens hem een kritische houding
tegenover de dogmatische zuiverheid van het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten.
Leg uit waarom dit zo is. Als de drie vragen niet bevredigend beantwoord worden, bestaat er een
grond om te veronderstellen dat het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten en daarmee
het verbintenissen- en goederenrecht vatbaar is voor kritiek.
6. Waarin ligt een fundamenteel onderscheid tussen het Romeinse recht en het Nederlandse recht?
Het Romeinse recht is primair procesrechtelijk, in het Nederlandse recht staan subjectieve rechten
centraal die afgedwongen kunnen worden met behulp van een rechtsvordering bij de rechter.
7. Waarom is het onjuist om te stellen dat als men succesvol had gesteld dat “een zaak van mij is”
het vervolgens de gewezen weg was om over diezelfde zaak te stellen dat de ander “de zaak
hoorde af te geven”? Een Romein keek niet in de wet of hij een eigendomsrecht had over een
zaak, hij keek in het geval van een stoornis in zijn bezit of hij een geslaagde revindicatie kon
instellen via de praetor. Die schreef in zijn edict in welke situaties een revindicatie ingesteld kon
worden. Als je revindicatie in kon stellen, was je eigenaar. In de eerste situatie is er sprake van
een zakelijke actie, in de tweede situatie van een persoonlijke actie.
8. Waarom was de feitelijke inrichting van het Romeinsrechtelijke proces relevant voor de
terminologie van ‘persoonlijke’ en ‘zakelijke’ acties? In de Romeinse rechtsontwikkeling was het
onderscheid tussen persoonlijke en zakelijke acties terug te zien in de wijze waarop een actie
gestalte kreeg. Als er een zakelijke actie werd ingesteld, werden roerende zaken aangevoerd of
meegenomen. Een zakelijke actie kreeg vorm door feitelijk de hand te leggen op de zaak waarop
de eiser een recht meende te hebben. Het object van een persoonlijk recht is een doen, geven of
presteren met betrekking tot een vermogensbestanddeel van de wederpartij, de hand werd dan
gelegd op de persoon zelf.
9. De Romeinen kenden geen mogelijkheid om nakoming te vorderen van een verbintenis. Dit was
volgens Van Rede een logisch uitvloeisel van het procesrechtelijke karakter van het Romeinse
recht. Waarom? Voor de Romeinen was het niet mogelijk om nakoming van een dienst te
vorderen. Bij de niet-nakoming van een plicht tot een dienst of afgifte van een zaak kon men enkel
1. Hoe laat het Nederlandse vermogensrecht zich volgens Van Rede onderverdelen? Op welke
manier komt dit onderscheid tot uiting? Het Nederlandse vermogensrecht laat zich onderverdelen
in het verbintenissenrecht en het goederenrecht. In het verbintenissenrecht staat de
partijautonomie centraal, terwijl bij het goederenrecht de partijautonomie ondergeschikt is aan
regels die dienen bij te dragen aan de rechtszekerheid. Deze tweedeling komt tot uiting door het
onderscheid tussen goederenrechtelijke/absolute rechten en persoonlijke/relatieve rechten.
2. Waarin ligt volgens de studieboeken het verschil tussen absolute werking en relatieve werking
van rechten? Rechten met absolute werking zijn rechten op goederen die de rechthebbende in
beginsel tegenover iedereen in kan roepen. Rechten met relatieve werking zijn rechten die niet
tegenover eenieder inroepbaar zijn, maar slechts tegenover bepaalde personen, namelijk degene
met wie men in een verbintenisrechtelijke verhouding staat.
3. Wat bedoelt Van Rede wanneer hij spreekt van het risico van ‘dogmatische gewenning’? Het
risico dat de absolute werking van goederenrechtelijke rechten vaak als zo vanzelfsprekend wordt
gezien dat we niet door hebben dat de werking van het beginsel als een verklaring wordt gezien.
4. Waarom laat het ‘schoolvoorbeeld’ volgens van Rede de oorzaak van de absolute werking van
goederenrechtelijke rechten onbesproken? Het legt niet uit waarom het onderscheid tussen
absolute en relatieve rechten bestaat, alleen hoe de absolute werking werkt.
5. De drie vragen die Van Rede centraal stelt, impliceren volgens hem een kritische houding
tegenover de dogmatische zuiverheid van het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten.
Leg uit waarom dit zo is. Als de drie vragen niet bevredigend beantwoord worden, bestaat er een
grond om te veronderstellen dat het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten en daarmee
het verbintenissen- en goederenrecht vatbaar is voor kritiek.
6. Waarin ligt een fundamenteel onderscheid tussen het Romeinse recht en het Nederlandse recht?
Het Romeinse recht is primair procesrechtelijk, in het Nederlandse recht staan subjectieve rechten
centraal die afgedwongen kunnen worden met behulp van een rechtsvordering bij de rechter.
7. Waarom is het onjuist om te stellen dat als men succesvol had gesteld dat “een zaak van mij is”
het vervolgens de gewezen weg was om over diezelfde zaak te stellen dat de ander “de zaak
hoorde af te geven”? Een Romein keek niet in de wet of hij een eigendomsrecht had over een
zaak, hij keek in het geval van een stoornis in zijn bezit of hij een geslaagde revindicatie kon
instellen via de praetor. Die schreef in zijn edict in welke situaties een revindicatie ingesteld kon
worden. Als je revindicatie in kon stellen, was je eigenaar. In de eerste situatie is er sprake van
een zakelijke actie, in de tweede situatie van een persoonlijke actie.
8. Waarom was de feitelijke inrichting van het Romeinsrechtelijke proces relevant voor de
terminologie van ‘persoonlijke’ en ‘zakelijke’ acties? In de Romeinse rechtsontwikkeling was het
onderscheid tussen persoonlijke en zakelijke acties terug te zien in de wijze waarop een actie
gestalte kreeg. Als er een zakelijke actie werd ingesteld, werden roerende zaken aangevoerd of
meegenomen. Een zakelijke actie kreeg vorm door feitelijk de hand te leggen op de zaak waarop
de eiser een recht meende te hebben. Het object van een persoonlijk recht is een doen, geven of
presteren met betrekking tot een vermogensbestanddeel van de wederpartij, de hand werd dan
gelegd op de persoon zelf.
9. De Romeinen kenden geen mogelijkheid om nakoming te vorderen van een verbintenis. Dit was
volgens Van Rede een logisch uitvloeisel van het procesrechtelijke karakter van het Romeinse
recht. Waarom? Voor de Romeinen was het niet mogelijk om nakoming van een dienst te
vorderen. Bij de niet-nakoming van een plicht tot een dienst of afgifte van een zaak kon men enkel