Inleiding privaatrecht II – 2016
WEEK 5
ONDERWERPEN
Beperkte rechten
Vestiging van beperkte rechten
Inhoud van beperkte rechten, in het bijzonder genotsrechten
Afhankelijkheid
Zaaksgevolg
INLEIDING OP DE STOF
Een beperkt recht is een absoluut en tevens goederenrechtelijk recht. Ingevolge art. 3:8 BW
zijn beperkte rechten rechten die zijn afgeleid uit een meer omvattend recht dat ermee is
bezwaard. Het feit dat iemand een volledig recht heeft - ongeacht of dat nu op een zaak of op
een vermogensrecht rust -, sluit in dat bepaalde bevoegdheden aan een ander kunnen
worden toebedeeld. Er kunnen dan beperkte rechten op gevestigd worden. De bevoegdheden
worden verdeeld over de gerechtigde tot het meer omvattende recht (het ‘moederrecht’) en
de beperkt-gerechtigde.
De beperkte rechten die kunnen rusten op zaken (lees: op het eigendomsrecht op zaken) en
op vermogensrechten zijn geregeld in Boek 3. De beperkte rechten die alleen kunnen rusten
op zaken zijn geregeld in Boek 5. De beperkte rechten vormen een gesloten systeem.
Een voorbeeld van een beperkt recht uit Boek 3 is het recht van vruchtgebruik: het recht om
het goed van een ander te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten. Zo kan de eigenaar
van een boomgaard daarop het beperkte recht van vruchtgebruik vestigen. Ook de
rechthebbende van een vordering (bijvoorbeeld het recht op een saldotegoed) kan daarop een
vruchtgebruik vestigen, hetgeen betekent dat de vruchtgebruiker de rente toekomt.
De beperkte rechten kunnen ook worden onderverdeeld in enerzijds genotsrechten (of:
gebruiksrechten) en anderzijds zekerheidsrechten. Deze week zal nader worden ingegaan op
de genotsrechten (erfdienstbaarheid, erfpacht, opstal, vruchtgebruik). Daarbij zal aandacht
worden besteed aan de inhoud en maatschappelijke betekenis van de verschillende beperkte
genotsrechten, de uit deze beperkte rechten voortvloeiende rechten en verplichtingen, en de
wijzen waarop zij kunnen ontstaan, overgaan, wijzigen en tenietgaan.
Voor de vestiging van beperkte rechten op een goed gelden in beginsel dezelfde vereisten als
voor de overdracht van een zodanig goed, zie art. 3:98 BW. Ten eerste moet er een geldige titel
zijn, ten tweede beschikkingsbevoegdheid en als derde vereiste - en nu spreken we niet van de
levering - de vestigingshandeling. In plaats van opnieuw uitgebreid te bepalen hoe de vestiging
van beperkte rechten in zijn werk gaat, heeft de wetgever dit via de schakelbepaling van art.
3:98 BW op eenvoudige wijze geregeld.
WEEK 5
ONDERWERPEN
Beperkte rechten
Vestiging van beperkte rechten
Inhoud van beperkte rechten, in het bijzonder genotsrechten
Afhankelijkheid
Zaaksgevolg
INLEIDING OP DE STOF
Een beperkt recht is een absoluut en tevens goederenrechtelijk recht. Ingevolge art. 3:8 BW
zijn beperkte rechten rechten die zijn afgeleid uit een meer omvattend recht dat ermee is
bezwaard. Het feit dat iemand een volledig recht heeft - ongeacht of dat nu op een zaak of op
een vermogensrecht rust -, sluit in dat bepaalde bevoegdheden aan een ander kunnen
worden toebedeeld. Er kunnen dan beperkte rechten op gevestigd worden. De bevoegdheden
worden verdeeld over de gerechtigde tot het meer omvattende recht (het ‘moederrecht’) en
de beperkt-gerechtigde.
De beperkte rechten die kunnen rusten op zaken (lees: op het eigendomsrecht op zaken) en
op vermogensrechten zijn geregeld in Boek 3. De beperkte rechten die alleen kunnen rusten
op zaken zijn geregeld in Boek 5. De beperkte rechten vormen een gesloten systeem.
Een voorbeeld van een beperkt recht uit Boek 3 is het recht van vruchtgebruik: het recht om
het goed van een ander te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten. Zo kan de eigenaar
van een boomgaard daarop het beperkte recht van vruchtgebruik vestigen. Ook de
rechthebbende van een vordering (bijvoorbeeld het recht op een saldotegoed) kan daarop een
vruchtgebruik vestigen, hetgeen betekent dat de vruchtgebruiker de rente toekomt.
De beperkte rechten kunnen ook worden onderverdeeld in enerzijds genotsrechten (of:
gebruiksrechten) en anderzijds zekerheidsrechten. Deze week zal nader worden ingegaan op
de genotsrechten (erfdienstbaarheid, erfpacht, opstal, vruchtgebruik). Daarbij zal aandacht
worden besteed aan de inhoud en maatschappelijke betekenis van de verschillende beperkte
genotsrechten, de uit deze beperkte rechten voortvloeiende rechten en verplichtingen, en de
wijzen waarop zij kunnen ontstaan, overgaan, wijzigen en tenietgaan.
Voor de vestiging van beperkte rechten op een goed gelden in beginsel dezelfde vereisten als
voor de overdracht van een zodanig goed, zie art. 3:98 BW. Ten eerste moet er een geldige titel
zijn, ten tweede beschikkingsbevoegdheid en als derde vereiste - en nu spreken we niet van de
levering - de vestigingshandeling. In plaats van opnieuw uitgebreid te bepalen hoe de vestiging
van beperkte rechten in zijn werk gaat, heeft de wetgever dit via de schakelbepaling van art.
3:98 BW op eenvoudige wijze geregeld.