Thomas ten Berge 19-10-15
S2882388
Wg 1.1
Arw1 week 7 rechtsvorming
Vragen:
1) Onjuist, een absoluut recht geld tegenover iedereen, een relatief recht heeft maar
betrekking tot één of enkele personen.
2) Juist, onder absolute rechten wordt zowel de absolute rechten verstaan zoals het
eigendom art. 5:1 BW waarin staat dat eigendom van een goed de eigenaar van dit
goed geheel tot beschikking staat zoals hij daarvan gebruik wil maken. De beperkte
rechten, zoals erfpacht of opstal, vallen hier ook onder de absolute rechten alleen
zijn dit slechts fracties van het eigendomsrecht.
3) A: juist, het recht van pand kan zoals in de gebruikelijk taal worden toegepast op
zaken in bijvoorbeeld een pandjeshuis waar je roerende zaken kan verpanden. Maar
het recht van pand kan ook op rechten als bijvoorbeeld: het recht op betaling van
een schuldenaar aan een schuldeiser kan verpand worden bij een bank. Art.3:227 BW
B: juist, volgens art. 5:1 BW gaat het om het recht dat een eigenaar op een zaak kan
uitoefenen, en volgens art 3:2 zijn zaken voor de menselijke beheersing vatbare
stoffelijke objecten. Gezien het recht van erfpacht afgeleid is van het eigendomsrecht
en het eigendom dus alleen op zaken van toepassing is, is dit juist. (Erfpacht 5:85 bw)
4) A: Onjuist, het recht van pand is een beperkt recht en kan juist wel gevestigd worden
op een zaak 3:236 BW
B: Juist, het recht van pand is een absoluut recht. Art. 3:236. We zien in dit artikel dat
het recht van pand op een roerende zaak of het vruchtgebruik van een roerende zaak
gevestigd kan worden wat beide absolute rechten zijn, dit is dan dus een absoluut
recht op een absoluut recht.
C: Juist, het recht van pand is in beginsel een absoluut recht en kan dus nooit een
relatief recht op een absoluut recht zijn. Art. 3:236 BW
5) A: Juist, gezien beperkte rechten gezien kan worden als beperkte rechten op zaken,
en beperkte rechten op goederen, waarbij goederen weer moet worden verstaan als
zaken en rechten, kan er worden gezegd dat alle beperkte rechten op zaken kunnen
worden gevestigd.
B: Juist, gezien beperkte rechten kunnen worden opgedeeld in genotsrechten en
zekerheidsrechten, waarbij genotsrechten het recht geven op het gebruik van de
zaak van de ander, en zekerheidsrechten dienen tot zekerheid van geldvordering.
C: Onjuist, appartementsrechten zijn genotsrechten, deze laten de huurder van een
appartement gebruik maken van het appartement als zijn eigendom maar geven
geen zekerheidsrecht.
D: juist, volgens art. 3:227 is het hypotheek recht een beperkt recht.
6) Onjuist, Mulder is verplicht om Haan toegang te verlenen mits Nuninga
erfdienstbaarheid van het tuinpad en aanlegsteiger heeft verleend. Erfdienstbaarheid
is een absoluut recht art. 5:70 BW gezien het een last van een onroerende zaak op
een andere onroerende zaak betreft en deze gaat ook door bij verkoop. Wel zou
Nuninga op grond van hun gebruiksovereenkomst een vordering kunnen instellen.
Juist: er is een relatief recht, een overeenkomst tussen Nuninga en Haan, dat zolang
Haan er woont deze stijger mag gebruiken. Hierdoor kan Haan niet bij Mulder
afdwingen dat hij, Haan, gebruik kan maken van de stijger. Haan kan wel een
schadevergoeding instellen bij Nuninga op grond van wanprestatie 6:74 BW
7) A: Bezitter is men als hij een goed houdt voor zichzelf, en houder is men als deze een
goed houd voor een ander. Art.3:107 lid 1BW
S2882388
Wg 1.1
Arw1 week 7 rechtsvorming
Vragen:
1) Onjuist, een absoluut recht geld tegenover iedereen, een relatief recht heeft maar
betrekking tot één of enkele personen.
2) Juist, onder absolute rechten wordt zowel de absolute rechten verstaan zoals het
eigendom art. 5:1 BW waarin staat dat eigendom van een goed de eigenaar van dit
goed geheel tot beschikking staat zoals hij daarvan gebruik wil maken. De beperkte
rechten, zoals erfpacht of opstal, vallen hier ook onder de absolute rechten alleen
zijn dit slechts fracties van het eigendomsrecht.
3) A: juist, het recht van pand kan zoals in de gebruikelijk taal worden toegepast op
zaken in bijvoorbeeld een pandjeshuis waar je roerende zaken kan verpanden. Maar
het recht van pand kan ook op rechten als bijvoorbeeld: het recht op betaling van
een schuldenaar aan een schuldeiser kan verpand worden bij een bank. Art.3:227 BW
B: juist, volgens art. 5:1 BW gaat het om het recht dat een eigenaar op een zaak kan
uitoefenen, en volgens art 3:2 zijn zaken voor de menselijke beheersing vatbare
stoffelijke objecten. Gezien het recht van erfpacht afgeleid is van het eigendomsrecht
en het eigendom dus alleen op zaken van toepassing is, is dit juist. (Erfpacht 5:85 bw)
4) A: Onjuist, het recht van pand is een beperkt recht en kan juist wel gevestigd worden
op een zaak 3:236 BW
B: Juist, het recht van pand is een absoluut recht. Art. 3:236. We zien in dit artikel dat
het recht van pand op een roerende zaak of het vruchtgebruik van een roerende zaak
gevestigd kan worden wat beide absolute rechten zijn, dit is dan dus een absoluut
recht op een absoluut recht.
C: Juist, het recht van pand is in beginsel een absoluut recht en kan dus nooit een
relatief recht op een absoluut recht zijn. Art. 3:236 BW
5) A: Juist, gezien beperkte rechten gezien kan worden als beperkte rechten op zaken,
en beperkte rechten op goederen, waarbij goederen weer moet worden verstaan als
zaken en rechten, kan er worden gezegd dat alle beperkte rechten op zaken kunnen
worden gevestigd.
B: Juist, gezien beperkte rechten kunnen worden opgedeeld in genotsrechten en
zekerheidsrechten, waarbij genotsrechten het recht geven op het gebruik van de
zaak van de ander, en zekerheidsrechten dienen tot zekerheid van geldvordering.
C: Onjuist, appartementsrechten zijn genotsrechten, deze laten de huurder van een
appartement gebruik maken van het appartement als zijn eigendom maar geven
geen zekerheidsrecht.
D: juist, volgens art. 3:227 is het hypotheek recht een beperkt recht.
6) Onjuist, Mulder is verplicht om Haan toegang te verlenen mits Nuninga
erfdienstbaarheid van het tuinpad en aanlegsteiger heeft verleend. Erfdienstbaarheid
is een absoluut recht art. 5:70 BW gezien het een last van een onroerende zaak op
een andere onroerende zaak betreft en deze gaat ook door bij verkoop. Wel zou
Nuninga op grond van hun gebruiksovereenkomst een vordering kunnen instellen.
Juist: er is een relatief recht, een overeenkomst tussen Nuninga en Haan, dat zolang
Haan er woont deze stijger mag gebruiken. Hierdoor kan Haan niet bij Mulder
afdwingen dat hij, Haan, gebruik kan maken van de stijger. Haan kan wel een
schadevergoeding instellen bij Nuninga op grond van wanprestatie 6:74 BW
7) A: Bezitter is men als hij een goed houdt voor zichzelf, en houder is men als deze een
goed houd voor een ander. Art.3:107 lid 1BW