Dramatiek
1. Inleiding
1.1.Terminologie
1.1.1. Literaire genres
Epiek: verhaal (DvP: bericht over handeling, monoloog)
Dramatiek: uitbeelden (DvP: uitbeelding ve handeling)
Lyriek: poëzie (DvP: uitbeelding (=taal) ve toestand in een monoloog)
Driehoek van Petersen
Dialoog met publiek
1.1.2. Ontstaan
Spelen: homo ludens
o Acteur doet zich voor als een ander (vb: met autootje spelen etc.)
Religie:
o Uitbeelden vh mysterie (vb: kerstverhaal)
o Rituelen: goden gunstig stellen (vb: dmv verkleden)
Conflict:
o Basis toneelstuk = conflict (Romeo & Julia)
o tegenstelde partijen – tegenstrijdige karaktertrekken / moreelwaarden
Veroorzaakt spanning
1.1.3. Definitie
= theater gebeurt wanneer één of meer mensen geïsoleerd in tijd/ruimte, zichzelf
presenteren in verbeelde handelingen/denkbeeldige acties aan een ander of anderen.
Dramatisch personae: acteurs in dialoog/monoloog
Tijd/ruimte
o Tijd: gespeelde – speeltijd
o Ruimte: gespeelde (denkbeeldige) – speelruimte
Tekentaal
o Visuele:
Fysionomie: lichamelijkheid
Ruimtegestiek: plaats vh personage
, Proxemiek: plaats t.o.v. personages
o Auditieve
Paraverbaal: manier waarop gezegd
[Zie opvoeringsanalyse]
1.1.4. Soorten
Traditioneel drama
o Tragedie: noodlottig verloop
o Komedie: ontspannen
Commedia dell’arte: improvisatie met typetjes
Klucht (Farce – Estabattement)
Vaudeville: blij spel (huizen van prostituees)
o Tragikomedie: eindigt positief (Mr Bean, Charlin Chaplin)
o Melodrama: overdreven tranerig stuk
Underdog (= juiste jongen) <-> slechterik (met meisje tss)
Bollywood: dingen die niet echt kunnen
Modern drama
o Jeugdtheater: vormingstheater
Jong publiek, herkenbare situaties (vb: theater FrouFrou, Fabuleus
o Muziekdrama
Opera: muzikaaldrama voor solostemmen
Mannen: tenoren – vrouwen: sopranen
Zingen aria – solostem, koor, orkest – kostuumdrama
(vb: Pavarotti – Rigoletto van Verdi, Mozart)
Operette: kleiner, luchtiger, lichter
Zang afgewisseld met dialogen
(vb: Die Fledermaus – Strauss)
Musical: moderne vorm van operette met hedendaagse muziek en
heel veel dans.
(vb: singing in the rain – Gene Kelly)
o Cabaret & stand-up
Cabaret Stand-up
Chanson afgewisseld met tekst Dialog met publiek
(= vastgelegd) weinig muziek
Minder improv Geen kostuum
Politieke satire Geen 4e wand (= wand tss
Ernstige onderwerpen publiek & comedian)
Theatrale middelen
Toon hermans, Kommil Foo Wim Helsen
o Radiodrama
1. Inleiding
1.1.Terminologie
1.1.1. Literaire genres
Epiek: verhaal (DvP: bericht over handeling, monoloog)
Dramatiek: uitbeelden (DvP: uitbeelding ve handeling)
Lyriek: poëzie (DvP: uitbeelding (=taal) ve toestand in een monoloog)
Driehoek van Petersen
Dialoog met publiek
1.1.2. Ontstaan
Spelen: homo ludens
o Acteur doet zich voor als een ander (vb: met autootje spelen etc.)
Religie:
o Uitbeelden vh mysterie (vb: kerstverhaal)
o Rituelen: goden gunstig stellen (vb: dmv verkleden)
Conflict:
o Basis toneelstuk = conflict (Romeo & Julia)
o tegenstelde partijen – tegenstrijdige karaktertrekken / moreelwaarden
Veroorzaakt spanning
1.1.3. Definitie
= theater gebeurt wanneer één of meer mensen geïsoleerd in tijd/ruimte, zichzelf
presenteren in verbeelde handelingen/denkbeeldige acties aan een ander of anderen.
Dramatisch personae: acteurs in dialoog/monoloog
Tijd/ruimte
o Tijd: gespeelde – speeltijd
o Ruimte: gespeelde (denkbeeldige) – speelruimte
Tekentaal
o Visuele:
Fysionomie: lichamelijkheid
Ruimtegestiek: plaats vh personage
, Proxemiek: plaats t.o.v. personages
o Auditieve
Paraverbaal: manier waarop gezegd
[Zie opvoeringsanalyse]
1.1.4. Soorten
Traditioneel drama
o Tragedie: noodlottig verloop
o Komedie: ontspannen
Commedia dell’arte: improvisatie met typetjes
Klucht (Farce – Estabattement)
Vaudeville: blij spel (huizen van prostituees)
o Tragikomedie: eindigt positief (Mr Bean, Charlin Chaplin)
o Melodrama: overdreven tranerig stuk
Underdog (= juiste jongen) <-> slechterik (met meisje tss)
Bollywood: dingen die niet echt kunnen
Modern drama
o Jeugdtheater: vormingstheater
Jong publiek, herkenbare situaties (vb: theater FrouFrou, Fabuleus
o Muziekdrama
Opera: muzikaaldrama voor solostemmen
Mannen: tenoren – vrouwen: sopranen
Zingen aria – solostem, koor, orkest – kostuumdrama
(vb: Pavarotti – Rigoletto van Verdi, Mozart)
Operette: kleiner, luchtiger, lichter
Zang afgewisseld met dialogen
(vb: Die Fledermaus – Strauss)
Musical: moderne vorm van operette met hedendaagse muziek en
heel veel dans.
(vb: singing in the rain – Gene Kelly)
o Cabaret & stand-up
Cabaret Stand-up
Chanson afgewisseld met tekst Dialog met publiek
(= vastgelegd) weinig muziek
Minder improv Geen kostuum
Politieke satire Geen 4e wand (= wand tss
Ernstige onderwerpen publiek & comedian)
Theatrale middelen
Toon hermans, Kommil Foo Wim Helsen
o Radiodrama