Hoofdstuk 3 paragraaf 1 : De opkomst van de islam
❖ kenmerkend aspect : ontstaan en verspreiding van de islam
- volgens latere islamitische geschriften koos Allah { Arabisch voor God } Mohammed
als zijn profeet
- heilige boek islam = Koran
- islam had joods-christelijke wortels
- veel verhalen en figuren in de Koran kwamen ook in de bijbel voor
❖ Mohammed was niet alleen een geestelijke leider, maar ook een wereldlijk
machthebber
- hij zou in 622 { begin van islamitische jaartelling } uit zijn geboorteplaats
Mekka zijn verdreven naar de stad Medina, waar hij de eerste islamitische
staat stichtte
- in de jaren daarna aanvaarden steeds meer stammen in Arabië Mohammeds
gezag
❖ na Mohammed zijn dood in 632 kozen de belangrijkste Arabische leiders een nieuwe
politieke en geestelijke leider → kalief
- de eerste kaliefen breidden Mohammeds staat in korte tijd uit tot een groot
Arabisch rijk → jihad { heilige strijd }
❖ tussen 632 en 650 onderwierpen Arabische legers het Perzische rijk
- omstreeks 650 viel de Arabische expansie stil door burgeroorlogen binnen
het kalifaat { islamitisch rijk }
❖ na de moord op kalief Ali in 661 kwamen de Omajjaden aan de macht
- deze familie stichtte in de hoofdstad Damascus een dynastie { regerende
familie }, waarbij de titel en de positie van kalief erfelijk werd
- opstanden van sjiieten { volgelingen van Ali } werden bloedig onderdrukt
- de sjiieten bleven een grote minderheid in de islam; de meeste moslims zijn
soennieten { omayyaden }
- islamitische legers rukten vanaf het einde van de 7e eeuw opnieuw op
- hoe kunnen de snelle Arabische veroveringen worden verklaard ?
- belangrijk was dat het Perzische en het Byzantijnse rijk omstreeks 630 ernstig
verzwakt waren
- in die situatie konden de Arabieren toeslaan
- ze streden voor hun godsdienst
- een deel van de overwonnen volken bekeerde zich en hielp bij de
veroveringen
- onder de Abbasiden kwam aan de snelle expansie van de islam een eind, maar
geleidelijk werd het geloof toch verder verspreid
- vanaf de 11e eeuw veroverden de Turken Anatolië
- de Ottomanen veroverden vanaf de 14e eeuw ook zuidoost-Europa en maakten in
1453 met de verovering van Constantinopel een eind aan het Byzantijnse Rijk
, Hoofdstuk 3 paragraaf 2 : Hofstelsel en horigheid
❖ kenmerkend aspect : de vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de
agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur,
georganiseerd via het hofstelsel en horigheid
❖ de landbouwstedelijke samenleving was in de vroege middeleeuwen verdwenen
- West-Europa had in de jaren 500-1000, de tijd van monniken en ridders,
een landbouwsamenleving
❖ steden raken in verval { vanaf 3e eeuw }
- bevolking neemt af
- handel neemt af
- nijverheid neemt af
- onveiligheid neemt toe
- de achteruitgang was het gevolg van de instorting van het Romeinse bestuur en van
de Germaanse invasies
- Germaanse invallers plunderen de steden en er waren geregeld oorlogen tussen
Romeinse en Germaanse legers en tussen Germaanse veroveraars onderling
- al dat geweld maakte dat de productie daalde waardoor de overheid minder
belasting kon heffen en haar ambtenaren en militairen slechter kon betalen →
staatsapparaat werd nog zwakker onveiligheid nam toe → daardoor ging de
economie nog verder achteruit
- een oorzaak was ook dat het geld schaarser werd
❖ de handel verdween niet helemaal
- luxegoederen uit het Middellandse Zeegebied bleven beperkt naar
West-Europa komen
- daarnaast groeide vanaf de 7e eeuw tussen verschillende delen van
West-Europa regionale handel, vooral in wijn, graan, zout, glas en aardewerk
- vanaf de 8e eeuw ontstond ook handel met het Oostzeegebied
- toch was de West-Europese economie grotendeels zelfvoorzienend
❖ plattelandsgemeenschappen maakten zelf wat ze nodig hadden en dreven
nauwelijks handel met de buitenwereld → autarkisch
❖ in de 4e eeuw daalde de agrarische productie sterk
- om te voorkomen dat de productie nog meer daalde, verbood de overheid
boeren hun land te verlaten → begin horigheid
- daarnaast zochten boeren vanwege toenemende onveiligheid bescherming bij
grootgrondbezitters
- in ruil daarvoor gingen ze verplichtingen aan die overgingen van ouders op
kinderen
- zo ontstonden in de nadagen van het Romeinse rijk enorme groep halfvrije mensen
→ horigen, en een groep met erfelijke voorrechten, de adel
❖ kenmerkend aspect : ontstaan en verspreiding van de islam
- volgens latere islamitische geschriften koos Allah { Arabisch voor God } Mohammed
als zijn profeet
- heilige boek islam = Koran
- islam had joods-christelijke wortels
- veel verhalen en figuren in de Koran kwamen ook in de bijbel voor
❖ Mohammed was niet alleen een geestelijke leider, maar ook een wereldlijk
machthebber
- hij zou in 622 { begin van islamitische jaartelling } uit zijn geboorteplaats
Mekka zijn verdreven naar de stad Medina, waar hij de eerste islamitische
staat stichtte
- in de jaren daarna aanvaarden steeds meer stammen in Arabië Mohammeds
gezag
❖ na Mohammed zijn dood in 632 kozen de belangrijkste Arabische leiders een nieuwe
politieke en geestelijke leider → kalief
- de eerste kaliefen breidden Mohammeds staat in korte tijd uit tot een groot
Arabisch rijk → jihad { heilige strijd }
❖ tussen 632 en 650 onderwierpen Arabische legers het Perzische rijk
- omstreeks 650 viel de Arabische expansie stil door burgeroorlogen binnen
het kalifaat { islamitisch rijk }
❖ na de moord op kalief Ali in 661 kwamen de Omajjaden aan de macht
- deze familie stichtte in de hoofdstad Damascus een dynastie { regerende
familie }, waarbij de titel en de positie van kalief erfelijk werd
- opstanden van sjiieten { volgelingen van Ali } werden bloedig onderdrukt
- de sjiieten bleven een grote minderheid in de islam; de meeste moslims zijn
soennieten { omayyaden }
- islamitische legers rukten vanaf het einde van de 7e eeuw opnieuw op
- hoe kunnen de snelle Arabische veroveringen worden verklaard ?
- belangrijk was dat het Perzische en het Byzantijnse rijk omstreeks 630 ernstig
verzwakt waren
- in die situatie konden de Arabieren toeslaan
- ze streden voor hun godsdienst
- een deel van de overwonnen volken bekeerde zich en hielp bij de
veroveringen
- onder de Abbasiden kwam aan de snelle expansie van de islam een eind, maar
geleidelijk werd het geloof toch verder verspreid
- vanaf de 11e eeuw veroverden de Turken Anatolië
- de Ottomanen veroverden vanaf de 14e eeuw ook zuidoost-Europa en maakten in
1453 met de verovering van Constantinopel een eind aan het Byzantijnse Rijk
, Hoofdstuk 3 paragraaf 2 : Hofstelsel en horigheid
❖ kenmerkend aspect : de vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de
agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur,
georganiseerd via het hofstelsel en horigheid
❖ de landbouwstedelijke samenleving was in de vroege middeleeuwen verdwenen
- West-Europa had in de jaren 500-1000, de tijd van monniken en ridders,
een landbouwsamenleving
❖ steden raken in verval { vanaf 3e eeuw }
- bevolking neemt af
- handel neemt af
- nijverheid neemt af
- onveiligheid neemt toe
- de achteruitgang was het gevolg van de instorting van het Romeinse bestuur en van
de Germaanse invasies
- Germaanse invallers plunderen de steden en er waren geregeld oorlogen tussen
Romeinse en Germaanse legers en tussen Germaanse veroveraars onderling
- al dat geweld maakte dat de productie daalde waardoor de overheid minder
belasting kon heffen en haar ambtenaren en militairen slechter kon betalen →
staatsapparaat werd nog zwakker onveiligheid nam toe → daardoor ging de
economie nog verder achteruit
- een oorzaak was ook dat het geld schaarser werd
❖ de handel verdween niet helemaal
- luxegoederen uit het Middellandse Zeegebied bleven beperkt naar
West-Europa komen
- daarnaast groeide vanaf de 7e eeuw tussen verschillende delen van
West-Europa regionale handel, vooral in wijn, graan, zout, glas en aardewerk
- vanaf de 8e eeuw ontstond ook handel met het Oostzeegebied
- toch was de West-Europese economie grotendeels zelfvoorzienend
❖ plattelandsgemeenschappen maakten zelf wat ze nodig hadden en dreven
nauwelijks handel met de buitenwereld → autarkisch
❖ in de 4e eeuw daalde de agrarische productie sterk
- om te voorkomen dat de productie nog meer daalde, verbood de overheid
boeren hun land te verlaten → begin horigheid
- daarnaast zochten boeren vanwege toenemende onveiligheid bescherming bij
grootgrondbezitters
- in ruil daarvoor gingen ze verplichtingen aan die overgingen van ouders op
kinderen
- zo ontstonden in de nadagen van het Romeinse rijk enorme groep halfvrije mensen
→ horigen, en een groep met erfelijke voorrechten, de adel