OVERVIEW LEREN OP SCHOOL
SCHOOL ALS PEDAGOGISCHE CONTEXT
School is een relevante pedagogische context
- Kernfunctie van de school: kinderen goed onderwijzen
o Landelijk vastgestelde kerndoelen
Met referentieniveaus voor Nederlands en rekenen
o Eigen leerlijn
- Kind zit in een klas
o Start op 4e verjaardag in groep 1 en stroomt op basis van geboortejaar door
Geboortemaandeffect
Jan-maart kinderen presteren beter in de klas omdat zij relatief oud zijn en
relatief lang op school zitten. Het gemiddelde kind vormt het uitgangspunt
van onderwijs, dus voor deze oudere kinderen is de stof relatief makkelijk.
o Kan een OPP krijgen (ontwikkelingsperspectief plan)
o Kan blijven zitten
Leerlingen die zijn blijven zitten laten soms betere resultaten zien dan
kinderen uit hun klas (klasgenoten die jonger zijn), maar niet dan kinderen
uit hun oude klas (leeftijdgenoten). Dus blijven zitten is geen goed idee.
o Kan een klas overslaan
Leerlingen die versnellen doen het beter dan de leerlingen uit hun oude klas
(leeftijdgenoten), maar presteren hetzelfde als de leerlingen uit hun nieuwe
klas (oudere klasgenoten). Dus versnellen kan positief zijn.
- In Nederland hebben we passend onderwijs
o Ondersteuningsniveaus op basis van RTI
o
o Gericht op specifieke vaardigheden
o Onderwijssituatie afstemmen op generieke vaardigheden (redeneervermogen)
Bijv. rekening houden met beperkte geheugencapaciteiten
o Nadelen RTI:
Focus ligt lang op omgeving, pas laat kijken naar kind
Wanneer zeg je dat een kind een leerprobleem heeft?
Wanneer kan een kind een ondersteuningsniveau terug? Hoe stabiel is de
vooruitgang?
o Voordat RTI kwam: discrepantiecriterium
Het discrepantiecriterium zegt ons dat een leerling een leerprobleem heeft
als de leerprestaties lager zijn dan verwacht wordt op basis van cognitieve
capaciteiten. Dit is kindgericht. RTI ligt leerprobleem bij de omgeving.
Discrepantie is niet precies. Bij RTI sluit je veel uit.
, TAAL
- Onderdelen van taal:
o Fonologie
o Semantiek
o Morfologie
o Syntaxis
o Pragmatiek
Expressief = gebruiken
Receptief = begrijpen
o Metalinguïstiek
- Fasen in de taalontwikkeling:
o Prelinguale fase
o Vroeg-linguale fase
o Differentiatie fase
o Voltooiingsfase
- Taal is een sociaal proces
- Diverse kindfactoren spelen een rol:
o Al heel jong: gaze following en joint attention
o Later:
Algemene en sociale cognitie
Auditieve verwerking
Bootstrapping (de plek of functie van een woord in een zin kan informatie
geven over de betekenis van een woord)
Woordleerconstraints
Mutual exclusivity constraint
Whole object constraint
o Ook de omgeving speelt een belangrijke rol:
Aanbod en uitnodiging tot interactie afgestemd op het kind
- Tweetaligheid/meertaligheid beïnvloedt de (vroege) taalontwikkeling
- Schooltaal
- Aanbod en oefening optimaliseren door rijk en interactief taalonderwijs
Scaffolding: een kind helpen één stapje verder te komen dan het nu is. Hiermee zit je in de zone van
naaste ontwikkeling. Een kind helpen uitvoeren, net boven waar het nu zit. ZNO: stapje verder in de
ontwikkeling dan waar het kind nu is.
TECHNISCH LEZEN EN SPELLEN
- Lezen en spellen hangen samen, maar zijn niet hetzelfde:
o Overeenkomsten:
Fonologische vaardigheden
Orthografische kennis
Semantische kennis
Alfabetisch principe (richting is anders):
Lezen: grafeem foneem (decoderen)
Spellen: foneem grafeen (recoderen)
o Verschillen:
Bij lezen is snelheid van belang, bij spellen accuratesse
Bij spellen speelt instructie een nog belangrijkere rol
Voor spellen zijn motorische vaardigheden nodig
SCHOOL ALS PEDAGOGISCHE CONTEXT
School is een relevante pedagogische context
- Kernfunctie van de school: kinderen goed onderwijzen
o Landelijk vastgestelde kerndoelen
Met referentieniveaus voor Nederlands en rekenen
o Eigen leerlijn
- Kind zit in een klas
o Start op 4e verjaardag in groep 1 en stroomt op basis van geboortejaar door
Geboortemaandeffect
Jan-maart kinderen presteren beter in de klas omdat zij relatief oud zijn en
relatief lang op school zitten. Het gemiddelde kind vormt het uitgangspunt
van onderwijs, dus voor deze oudere kinderen is de stof relatief makkelijk.
o Kan een OPP krijgen (ontwikkelingsperspectief plan)
o Kan blijven zitten
Leerlingen die zijn blijven zitten laten soms betere resultaten zien dan
kinderen uit hun klas (klasgenoten die jonger zijn), maar niet dan kinderen
uit hun oude klas (leeftijdgenoten). Dus blijven zitten is geen goed idee.
o Kan een klas overslaan
Leerlingen die versnellen doen het beter dan de leerlingen uit hun oude klas
(leeftijdgenoten), maar presteren hetzelfde als de leerlingen uit hun nieuwe
klas (oudere klasgenoten). Dus versnellen kan positief zijn.
- In Nederland hebben we passend onderwijs
o Ondersteuningsniveaus op basis van RTI
o
o Gericht op specifieke vaardigheden
o Onderwijssituatie afstemmen op generieke vaardigheden (redeneervermogen)
Bijv. rekening houden met beperkte geheugencapaciteiten
o Nadelen RTI:
Focus ligt lang op omgeving, pas laat kijken naar kind
Wanneer zeg je dat een kind een leerprobleem heeft?
Wanneer kan een kind een ondersteuningsniveau terug? Hoe stabiel is de
vooruitgang?
o Voordat RTI kwam: discrepantiecriterium
Het discrepantiecriterium zegt ons dat een leerling een leerprobleem heeft
als de leerprestaties lager zijn dan verwacht wordt op basis van cognitieve
capaciteiten. Dit is kindgericht. RTI ligt leerprobleem bij de omgeving.
Discrepantie is niet precies. Bij RTI sluit je veel uit.
, TAAL
- Onderdelen van taal:
o Fonologie
o Semantiek
o Morfologie
o Syntaxis
o Pragmatiek
Expressief = gebruiken
Receptief = begrijpen
o Metalinguïstiek
- Fasen in de taalontwikkeling:
o Prelinguale fase
o Vroeg-linguale fase
o Differentiatie fase
o Voltooiingsfase
- Taal is een sociaal proces
- Diverse kindfactoren spelen een rol:
o Al heel jong: gaze following en joint attention
o Later:
Algemene en sociale cognitie
Auditieve verwerking
Bootstrapping (de plek of functie van een woord in een zin kan informatie
geven over de betekenis van een woord)
Woordleerconstraints
Mutual exclusivity constraint
Whole object constraint
o Ook de omgeving speelt een belangrijke rol:
Aanbod en uitnodiging tot interactie afgestemd op het kind
- Tweetaligheid/meertaligheid beïnvloedt de (vroege) taalontwikkeling
- Schooltaal
- Aanbod en oefening optimaliseren door rijk en interactief taalonderwijs
Scaffolding: een kind helpen één stapje verder te komen dan het nu is. Hiermee zit je in de zone van
naaste ontwikkeling. Een kind helpen uitvoeren, net boven waar het nu zit. ZNO: stapje verder in de
ontwikkeling dan waar het kind nu is.
TECHNISCH LEZEN EN SPELLEN
- Lezen en spellen hangen samen, maar zijn niet hetzelfde:
o Overeenkomsten:
Fonologische vaardigheden
Orthografische kennis
Semantische kennis
Alfabetisch principe (richting is anders):
Lezen: grafeem foneem (decoderen)
Spellen: foneem grafeen (recoderen)
o Verschillen:
Bij lezen is snelheid van belang, bij spellen accuratesse
Bij spellen speelt instructie een nog belangrijkere rol
Voor spellen zijn motorische vaardigheden nodig