Hoofdstuk 2, aarde klimaat en landschap
Voorkennis begrippen:
- Invalshoek van de zon = de hoek waaronder de zonnestralen het
aardoppervlak raken.
- Breedteligging = de geografische ligging van een plaats ten opzichte
van de evenaar uitgedrukt in graden.
- Regenschaduw = de kant van het gebergte waar het weinig regent.
- Stuwingsregen = regen die ontstaat wanneer lucht tegen de bregen
aan waait en gedwongen wordt te stijgen.
- Stijgingsregen = regen die ontstaat als het heel warm is en er veel
water verdampt en opstijgt.
- Klimaat = het gemiddelde weer, gemeten over een periode van 30 jaar.
- Klimaatverandering = de geleidelijke verandering van het klimaat.
- Draagkracht = het maximum aantal mensen dat in een gebied of op
aarde kan leven zonder schade aan te richten aan het ecosysteem.
- Natuurlijke kringloop = het rondgaan in de natuur van voedsel, water,
zuurstof en co2.
- Duurzame ontwikkeling = zo met de aarde omgaan dat ook
toekomstige generaties op een planeet kunnen leven die schoon en
niet uitgeput is.
2.1 wereldwijde luchtstromen
Atmosferische circulatie
Evenaar warm opstijging lucht
Lagedrukgebied dat lucht aanzuigt
Wind waait naar evenaar toe
Lucht daalt weer rond 30° NB/ZB:
ontstaan circulatiecellen
Instabiele lagedrukgebieden
rond 60° NB/ZB
, Hogedrukgebieden op (koude) polen
- Lucht zet bij opwarming uit, waardoor er per volume-eenheid minder
luchtdeeltjes zijn. De lucht is dan dus minder zwaar en drukt minder
hard op het aardoppervlak. We spreken dan van een lagedrukgebied,
dat rond de evenaar de intertropische convergentiezone (ITCZ) of
zone van equatoriale luchtdruk wordt genoemd. Door deze lage druk
kan de lucht gemakkelijk opstijgen; de lucht is immers niet zo zwaar.
- Luchtdruk neemt af met de hoogte. Daardoor zet opstijgende lucht op
grotere hoogte nog verder uit. omdat dit uitzetten gebeurt zonder
opwarming, koelt de lucht af: de benodigde warmte wordt aan de lucht
zelf onttrokken.
- Omdat koudere lucht minder vocht kan vasthouden, gaat het elke
middag regenen.
- Lucht gaat op grotere hoogte zijdelings afstromen, in dit geval richting
de Noord- en Zuidpool. Rond de 30 N.B. en Z.B. is de lucht zo ver
afgekoeld dat deze weer gaat dalen. De lucht is zwaar en drukt hard op
het aardoppervlak. We spreken nu van een hogedrukgebied.
Er gebeurt het tegenovergestelde van wat er rond de evenaar gebeurt:
de lucht daalt, warmt op en is gortdroog. We zijn in de woestijn.
- Aan het aardoppervlak stroomt de lucht deels terug naar de evenaar,
deels richting de polen. Rond de 60 N.B. en Z.B. stijgt deze relatief
warme lucht weer op tegen de koude lucht van de polen. Er ontstaan
lagedrukgebieden met regen en wind. Rond de polen is het koud.
Koude lucht is zwaar en daalt. Je vindt er dus een hogedrukgebied. Al
deze luchtstromen bij elkaar noemen we de atmosferische circulatie
of grote windsystemen.
De wet van Buys Ballot
- Wet Buys Ballot of het corioliseffect
Regels:
1) Wind/lucht stroomt van hoge druk naar lagedruk gebied.
2) Wanneer je op het noordelijk halfrond staat en je krijgt de wind in je rug, heeft
////deze een afwijking naar rechts.
3) Wanneer je op het zuidelijk halfrond staat en je krijgt de wind in je rug, heeft deze
////een afwijking naar links.
- Op onze breedte zorgt het ervoor dat de overheersende wind uit het
(zuid)westen komt.
- Corioliseffect:
Voorkennis begrippen:
- Invalshoek van de zon = de hoek waaronder de zonnestralen het
aardoppervlak raken.
- Breedteligging = de geografische ligging van een plaats ten opzichte
van de evenaar uitgedrukt in graden.
- Regenschaduw = de kant van het gebergte waar het weinig regent.
- Stuwingsregen = regen die ontstaat wanneer lucht tegen de bregen
aan waait en gedwongen wordt te stijgen.
- Stijgingsregen = regen die ontstaat als het heel warm is en er veel
water verdampt en opstijgt.
- Klimaat = het gemiddelde weer, gemeten over een periode van 30 jaar.
- Klimaatverandering = de geleidelijke verandering van het klimaat.
- Draagkracht = het maximum aantal mensen dat in een gebied of op
aarde kan leven zonder schade aan te richten aan het ecosysteem.
- Natuurlijke kringloop = het rondgaan in de natuur van voedsel, water,
zuurstof en co2.
- Duurzame ontwikkeling = zo met de aarde omgaan dat ook
toekomstige generaties op een planeet kunnen leven die schoon en
niet uitgeput is.
2.1 wereldwijde luchtstromen
Atmosferische circulatie
Evenaar warm opstijging lucht
Lagedrukgebied dat lucht aanzuigt
Wind waait naar evenaar toe
Lucht daalt weer rond 30° NB/ZB:
ontstaan circulatiecellen
Instabiele lagedrukgebieden
rond 60° NB/ZB
, Hogedrukgebieden op (koude) polen
- Lucht zet bij opwarming uit, waardoor er per volume-eenheid minder
luchtdeeltjes zijn. De lucht is dan dus minder zwaar en drukt minder
hard op het aardoppervlak. We spreken dan van een lagedrukgebied,
dat rond de evenaar de intertropische convergentiezone (ITCZ) of
zone van equatoriale luchtdruk wordt genoemd. Door deze lage druk
kan de lucht gemakkelijk opstijgen; de lucht is immers niet zo zwaar.
- Luchtdruk neemt af met de hoogte. Daardoor zet opstijgende lucht op
grotere hoogte nog verder uit. omdat dit uitzetten gebeurt zonder
opwarming, koelt de lucht af: de benodigde warmte wordt aan de lucht
zelf onttrokken.
- Omdat koudere lucht minder vocht kan vasthouden, gaat het elke
middag regenen.
- Lucht gaat op grotere hoogte zijdelings afstromen, in dit geval richting
de Noord- en Zuidpool. Rond de 30 N.B. en Z.B. is de lucht zo ver
afgekoeld dat deze weer gaat dalen. De lucht is zwaar en drukt hard op
het aardoppervlak. We spreken nu van een hogedrukgebied.
Er gebeurt het tegenovergestelde van wat er rond de evenaar gebeurt:
de lucht daalt, warmt op en is gortdroog. We zijn in de woestijn.
- Aan het aardoppervlak stroomt de lucht deels terug naar de evenaar,
deels richting de polen. Rond de 60 N.B. en Z.B. stijgt deze relatief
warme lucht weer op tegen de koude lucht van de polen. Er ontstaan
lagedrukgebieden met regen en wind. Rond de polen is het koud.
Koude lucht is zwaar en daalt. Je vindt er dus een hogedrukgebied. Al
deze luchtstromen bij elkaar noemen we de atmosferische circulatie
of grote windsystemen.
De wet van Buys Ballot
- Wet Buys Ballot of het corioliseffect
Regels:
1) Wind/lucht stroomt van hoge druk naar lagedruk gebied.
2) Wanneer je op het noordelijk halfrond staat en je krijgt de wind in je rug, heeft
////deze een afwijking naar rechts.
3) Wanneer je op het zuidelijk halfrond staat en je krijgt de wind in je rug, heeft deze
////een afwijking naar links.
- Op onze breedte zorgt het ervoor dat de overheersende wind uit het
(zuid)westen komt.
- Corioliseffect: