Executieve functies
Diamond (2007): Executieve kinderen worden succesvoller op school.
Executieve functies (EF): denkprocessen Executieve functies Zelfsturing
belangrijk bij uitvoeren (executie) van sociaal en hersenprocessen waarneembaar
doelgericht gedrag → zelfsturend en
onafhankelijk (peuter/kleuter vooral)
Ontwikkeling door: aanleg en ervaring (in prefrontale cortex, hippocampus en amygdala)
Indeling EF’s:
- Cluster 1: plannen/organiseren en opstarten (doelgericht, plan maken)
- Cluster 2: aandacht richten en vasthouden
- Cluster 3: volgehouden aandacht/verwerkingssnelheid
- Cluster 4: emotieregulatie
- Cluster 5: werkgeheugen (onthouden)
- Cluster 6: reponsinhibitie (impuls kunnen onderdrukken)
- Cluster 7: cognitieve flexibiliteit (omgaan met veranderingen)
Belangrijke bouwstenen: cognitieve flexibiliteit, reponsinhibitie en werkgeheugen
Sensitiviteit: vermogen om signalen van kind op te merken en hierop te reageren.
Ouder: draagt bij aan zelfsturend vermogen kind; voorbeeldgedrag en positief aandacht
Doel: benoem gevoel, uitleg → alternatief bieden, time-out (om rustig te worden)
Contact, hechting en gezin
Baby’s hebben aangeboren basisemoties en fundamentele gezichtsuitdrukkingen
waarmee ze communiceren (codering)
Basisemoties
Woede
Angst
Verdriet
Blijdschap (18 mnd: lachen verzorgers > objecten)
Walging
Verbazing
Onderzoek: belangstelling, stress en walging vanaf geboorte. Moeders denken
vreugde en belangstelling vanaf 1e maand te kunnen zien.
Differentiële emotietheorie: uiten emotie zegt iets over ervaring en helpt emotieregulatie.
Kunnen hierdoor steeds meer en complexer verschillende emoties uitdrukken
Wederzijdse regulatiemodel: baby en ouder leren emotionele stemmingen te
communiceren en adequaat te reageren (wisseling).
Angsten
Vreemdenangst: voorzichtigheid die baby’s laten zien bij een onbekende
Scheidingsangst: angst opgeroepen door afwezigheid vaste verzorger