Balans
Balans (datum -> de balans is op een bepaald moment)
Vaste activa (langer dan een jaar in bezit). Eigen vermogen
1. ….
2. … Vreemd vermogen lang (LT)
3. …
Vreemd vermogen kort (KT)
Vlottende activa (minder dan een jaar in bezit)
Liquide middelen (bank/kas)
Totaal Totaal (hoe financier je je bezittingen)
Balans: overzicht van de bezittingen, schulden en het eigen vermogen op een bepaald
moment.
Eigen vermogen = bezittingen – schulden
Opbrengsten: eigen vermogen wordt groter (je wordt er rijker van).
Kosten: eigen vermogen wordt kleiner (je wordt er armer van).
Ontvangsten: hoeveelheid liquide middelen neemt toe.
Uitgaven: hoeveelheid liquide middelen neemt af.
Soms ontvang je geld en word je er meteen rijker van (ontvangsten en opbrengsten).
Soms ontvang je geld en word je er niet rijker van, dus is het geen opbrengst (bijvoorbeeld
bij een lening, het geld is namelijk niet van jou).
Soms geef je geld uit en word je meteen arm (uitgaven en kosten).
Soms geef je geld uit, maar word je er niet armer van (boodschappen kopen: bezit (geld)
wordt omgezet in een andere vorm van bezit (boodschappen)).
Resultatenbegroting: overzicht van de verwachte opbrengsten en kosten in die periode.
Nettoresultaat = eigen vermogen (eindbalans) – eigen vermogen (beginbalans)
Liquiditeitsbegroting: overzicht van de verwachte ontvangen en uitgaven in een
toekomstige periode.
Beginvoorraad (liquide middelen) = beginsaldo kas + beginsaldo bank