INTRODUCTIE
- Anamnese:
* Verschillende hypothesen ontwikkelen over
§ Plaats en waarschijnlijke oorzaak van het probleem
§ Type pathologie en mogelijke behandelingsstrategieën
§ Contra-indicaties (rode, gele, blauwe, zwarte of oranje vlaggen)
§ Waarschijnlijke prognose
* Continu proces à zelfs tijdens de ingreep is het belangrijk goed te blijven luisteren
naar de informatie die de patiënt verstrekt
- Lichamelijk onderzoek: hypotheses uit de anamnese worden verder getoetst
- Zelden worden volledig nieuwe hypothesen verkregen na een uitgebreid subjectief
onderzoek
- Pijn en invaliditeit zijn complexe fenomenen die geëvalueerd moeten worden binnen een bio-
psycho-sociaal kader
- Verwachtingen van de patiënt vaststellen à bespreken en ervoor zorgen dat ze realistisch
en haalbaar zijn
* P en T op dezelfde golflengte (anders frustraties, teleurstelling en verminderde
therapietrouw)
* Bespreken van behandeldoelen en verwachtingen kan meer informatie geven over de
attitudes en ziekteopvattingen van de patiënt
In het algemeen bestaat de structuur van een subjectief onderzoek uit deze categorieën:
1. Gebied van symptomen
2. Huidig klachtenpatroon/anamnese (+ tijdlijn)
3. Gedrag van de symptomen over een periode van 24 uur
4. Irritabiliteit van de symptomen
5. Voorgeschiedenis (+ tijdlijn)
6. Specifieke vragen (SQ) over de algemene gezondheid, contra-indicaties en voorzorgs-
maatregelen voor onderzoek en behandeling
7. Cognitieve factoren
8. Sociale geschiedenis
→ Het volgen van een gestructureerd subjectief onderzoek met ervoor zorgen dat relevante
informatie wordt verzameld
* Als leidraad gebruiken
* Rekening mee houden dat elke patiënt anders is à flexibiliteit vereist
VRAGENLIJSTEN VOOR BEPERKING EN PIJN
- Interview en gestandaardiseerde vragenlijsten à voldoende relevante en meetbare
informatie over de toestand van de patiënt verkrijgen
- Interview: open vragen, dichotome vragen en gedwongen-keuzevragen
1
, * Open vragen:
§ Grote hoeveelheid informatie kan verkregen worden
• Over de specifieke vraag die u hebt geformuleerd
• Over de specifieke overtuigingen, attitudes, mogelijke angsten en
vermijdingsgedrag
§ Moedigt de patiënt aan om verder te praten
§ Nadeel: je moet in staat zijn de relevante informatie eruit te halen
§ Voorbeelden:
• Wat is de lokalisatie van uw pijn?
• Is er volgens u een verband tussen uw schouderklacht en uw nekklacht?
• Zijn er activiteiten, bewegingen of houdingen die uw pijn uitlokken?
• Kun je me iets meer vertellen over de nekpijn die je 2 jaar geleden had
• Wat is volgens u de onderliggend oorzaak van uw nekklachten?
* Dichotome of gedwongen-keuzevragen:
§ Wanneer het voor de patiënt moeilijk is om open vragen te beantwoorden
§ Interview op een meer gestructureerde manier laten verlopen
§ Verkregen informatie is zeer beperkt
§ Voorbeelden:
• Heb je wel eens hoofdpijn?
• Heb je ooit last van duizeligheid?
• Sinds hun begin, zijn uw klachten verbeterd of hetzelfde gebleven?
• Heeft u nekpijn nadat u uw computer een tijdje heeft gebruikt?
• Slaap je op je buik?
• Is je nek stijf als je wakker wordt?
- Gestandaardiseerde vragenlijsten:
* Niet-intensieve en gestandaardiseerde manier om relevante en objectieve informatie
te verkrijgen
* Gevoelig voor veranderingen à vooruitgang van de patiënt volgen
* Nadeel: geforceerde keuzevragen beperken de antwoordmogelijkheid van de patiënt
NECK DISABILITY INDEX (NDI)
- Impact van de nekpijn van de patiënt op het dagelijks functioneren gemakkelijk in kaart
brengen
- 10 vragen die betrekking hebben op 10 gebieden van het dagelijks functioneren: pijn,
persoonlijke verzorging, tillen, lezen, hoofdpijn, concentratie, werk, autorijden, slapen en
recreatie
- Elke vraag heeft 6 antwoordmogelijkheden (0-5)
- Hoe lager de score, hoe beter het functioneren:
* 0-20 normaal
* 21-40 lichte invaliditeit
* 41-60 matige invaliditeit
* 61-80 ernstige invaliditeit
* > 80 volledige invaliditeit
- Het duurt ongeveer 5 minuten om deze vragenlijst in te vullen en te scoren
- Een verschilscore van 10 wordt gezien als minimaal klinisch belangrijk verschil (MCID)
2
, PATIENT-SPECIFIC FUNCTIONAL SCALE (PSFS)
- Self-reporting maat voor invaliditeit die specifiek is voor individuele patiënten
- 3 tot 5 bealngrijke activiteiten noemen die de patiënt niet of moeilijk kan uitvoeren als gevolg
van hun aandoening
- Vermogen om elke activiteit uit te voeren beoordelen op een schaal van 0-10
NECK PAIN AND DISABILITY SCALE (NPDS)
- 20 items ter beoordeling van nekpijn en nek gerelateerde invaliditeit
* Intensiteit van pijn
* Interferentie met zelfzorg, werk, sociale en recreatieve activiteiten
* Geassocieerde emotionele factoren
- Score per item van 0-5 punten, met totaalscore tussen 0-100
METING VAN PIJN
- Meestal zoeken patiënten een behandeling voor pijnbestrijding
- Pijnmetingen nodig aangezien de correlatie tussen de meting van invaliditeit en pijn vrij slecht
is à beide items afzonderlijk meten
UNIDIMENSIONELE MAATREGELEN
- Schalen die ofwel de sensorische dimensie ofwel de intensiteit van de pijn meten
- Pijntekeningen:
* Alle pijnlijke lichaamszones aangeven op een menselijke figuur
* Betrouwbaarheid van deze meting is hoog als het pijngebied tamelijk stabiel is
* Geen geschikte meettechniek om pijnsyndroom te monitoren waarbij pijngebieden
verschillen
- Visuele analoge schaal (VAS):
* Lijn van 100 mm (horizontaal of verticaal)
* Aan het ene uiteinde de verbale descriptoren “geen pijn” en aan het andere uiteinde
“ergste pijn ooit”
* Pijn meten, maar ook sensorische en affectieve dimensie van pijn scheiden
- Verbale schaal voor pijnintensiteit:
* Lijst van adjectieven die vaak worden gebruikt op verschillende niveaus van
pijnintensiteit te beschrijven
* Score wordt berekend door aan elk woord een cijfer toe te kennen volgens zijn
rangorde op de lijst (5- of 15-punten schaal)
* Zelfde schalingssysteem kan worden gebruikt om de affectieve dimensie van pijn te
meten
- Numerieke (pijn) schaal:
* Waargenomen niveau van pijnintensiteit beoordelen op een numerieke schaal van 11
punten of 101 punten
* 0 staat voor geen pijn, 10 of 100 staat voor pijn zo erg als het maar kan zijn
3