Blok 1.3 Training Methodologie
FREQUENTIEMATEN
Frequentiematen: gebruiken bij het uitdrukken van het vóórkomen van ziekte
● Prevalentie
● Incidentie
● Relatie incidentie en prevalentie
○ Prevalentie = incidentie x ziekteduur
○ Ziekteduur = prevalentie / incidentie
Prevalentie: beschrijft toestand, bv. ‘ziek zijn
● Het aantal ziektegevallen op een bepaald tijdstip of periode in een afgebakende
populatie (waar de cases uit voortkomen)
● (N ziektegevallen / N populatie at risk) x 100%
● Handig om de ziektelast uit te drukken, niet om het ontstaan van een ziekte te
onderzoeken
● 3 vormen
○ Puntprevalentie: aantal ziektegevallen op een bepaald
tijdstip
■ Bv. artrose NL op 1 januari 2011 onder 65-69 jarigen:
20,1%
■ Afhankelijk van tijdstip van berekening
○ Periodeprevalentie: deel vd populatie dat in een bepaalde
periode de ziekte had
■ Bv. verkoudheid bij medewerkers UM in 2012: 37%
■ Maakt gebruik van de ‘mid-term population: (Nbegin
+ Neind) / 2. → het aantal medewerkers zal niet
gelijk zijn gedurende het jaar 2012
■ Loss to follow up: iemand is gestopt, dus in het
begin van de gemeten periode was deze
persoon er nog wel, maar aan het eind van de
periode was deze persoon gestopt. → N
populatie wordt berekent met de mid-term population
○ Lifetimeprevalentie: deel vd populatie dat de ziekte ooit had gedurende hun
leven
■ Bv. Lage rugpijn wereldwijd: 84%
Incidentie: beschrijft gebeurtenis: bv. ‘ziek worden’
● Twee typen incidentie
○ Cumulatieve incidentie (CI): bij gesloten populatie
■ (Aantal nieuwe ziektegevallen in periode P / totale
populatie at risk (totale omvang cohort)) x 100%
■ Alle leden van de populatie moeten at risk zijn bij het
begin van het onderzoek (T0)
● Bv. alleen mannen die geen prostaatkanker
hebben, bij een onderzoek naar
prostaatkanker
, ■ Volledige follow-up van alle leden van de populatie is vereist
■ Interpretatie: absoluut risico
■ Bv. 10 mensen kunnen een ziekte krijgen. In een periode van
6 jaar hebben 4 mensen deze ziekte gekregen. → DUS 4/10 x
10% = 40% bij een follow-up van 6 jaar
● Persoon 2 jaar ziek bij start → niet meetellen dus de
4/9x100% = 44%
○ Incidentiedichtheid (ID): bij open / dynamische populatie
■ (Aantal nieuwe ziektegevallen in periode P / personen . tijd ‘at risk’
(=persoonstijd at risk))
■ Eenheid: tijd-1 / per jaar
■ Altijd follow-up periode P specificeren in
“personen . tijd”
■ Volledige follow-up van alle leden van de populatie
is niet vereist.
■ Interpretatie: gemiddelde snelheid waarmee ziekte
zich ontwikkeld
■ Bv. 10 mensen gedurende 6 jaar: berekend per
persoon de persoonstijd (p.t), deze tel je bij
elkaar op (bv. 44 jaar). # mensen krijgen de
ziekte → = 0,07 jr-1
● Bv. persoonstijd van een persoon die na
3 jaar de ziekte krijgt / overlijdt → 1 . 3
= 3 jaar
● Bv persoonstijd van een persoon die na
3 jaar de ziekte krijgt en na een jaar
weer beter is (dus weer 2 jaar at risk
is) → 1 . 5 = 5 jaar
■ Bij gesloten populatie: in een periode van 6
jaar met 10 personen had 1 persoon de
ziekte wel al en 4 personen hebben in de
periode de ziekte gekregen. Persoonsjaren =
41 jaar → ID = = 0,10 jr-1
Frequentiemaaten voor beschrijving van sterfte (mortaliteit)
→ Bv. 715 bewoners, waarvan er 60 dementie hebben. In totaal zijn er in 1 jaar tijd
180 mensen overleden, waarvan 40 aan dementie
● Brutosterftecijfers
○ Incidentie van overlijden in bepaalde periode
○ (N aantal sterfgevallen in bepaalde periode) / (Totale populatie at risk)
● (Oorzaak)Specifiek sterftecijfer
○ Incidentie van sterfte aan de aandoening
○ (N aantal sterfgevallen aan de aandoening) / (Totale populatie at risk)
○ voorbeeld: 40/715 . 100%
● Proportioneel sterftecijfer
, ○ Deel van alle sterfgevallen in de population at risk ten gevolge van een
bepaalde aandoening
○ (N aantal sterfgevallen door een aandoening) / (N aantal sterfgevallen
populatie at risk)
○ voorbeeld: 40/180 . 100% = 22,2%
● Letaliteitspercentage (case-fatality rate)
○ % sterfte aan een aandoening binnen bepaalde periode
○ (N aantal sterfgevallen door een aandoening) / (N aantal incidente patiënten
met deze aandoening)
FREQUENTIEMATEN
Frequentiematen: gebruiken bij het uitdrukken van het vóórkomen van ziekte
● Prevalentie
● Incidentie
● Relatie incidentie en prevalentie
○ Prevalentie = incidentie x ziekteduur
○ Ziekteduur = prevalentie / incidentie
Prevalentie: beschrijft toestand, bv. ‘ziek zijn
● Het aantal ziektegevallen op een bepaald tijdstip of periode in een afgebakende
populatie (waar de cases uit voortkomen)
● (N ziektegevallen / N populatie at risk) x 100%
● Handig om de ziektelast uit te drukken, niet om het ontstaan van een ziekte te
onderzoeken
● 3 vormen
○ Puntprevalentie: aantal ziektegevallen op een bepaald
tijdstip
■ Bv. artrose NL op 1 januari 2011 onder 65-69 jarigen:
20,1%
■ Afhankelijk van tijdstip van berekening
○ Periodeprevalentie: deel vd populatie dat in een bepaalde
periode de ziekte had
■ Bv. verkoudheid bij medewerkers UM in 2012: 37%
■ Maakt gebruik van de ‘mid-term population: (Nbegin
+ Neind) / 2. → het aantal medewerkers zal niet
gelijk zijn gedurende het jaar 2012
■ Loss to follow up: iemand is gestopt, dus in het
begin van de gemeten periode was deze
persoon er nog wel, maar aan het eind van de
periode was deze persoon gestopt. → N
populatie wordt berekent met de mid-term population
○ Lifetimeprevalentie: deel vd populatie dat de ziekte ooit had gedurende hun
leven
■ Bv. Lage rugpijn wereldwijd: 84%
Incidentie: beschrijft gebeurtenis: bv. ‘ziek worden’
● Twee typen incidentie
○ Cumulatieve incidentie (CI): bij gesloten populatie
■ (Aantal nieuwe ziektegevallen in periode P / totale
populatie at risk (totale omvang cohort)) x 100%
■ Alle leden van de populatie moeten at risk zijn bij het
begin van het onderzoek (T0)
● Bv. alleen mannen die geen prostaatkanker
hebben, bij een onderzoek naar
prostaatkanker
, ■ Volledige follow-up van alle leden van de populatie is vereist
■ Interpretatie: absoluut risico
■ Bv. 10 mensen kunnen een ziekte krijgen. In een periode van
6 jaar hebben 4 mensen deze ziekte gekregen. → DUS 4/10 x
10% = 40% bij een follow-up van 6 jaar
● Persoon 2 jaar ziek bij start → niet meetellen dus de
4/9x100% = 44%
○ Incidentiedichtheid (ID): bij open / dynamische populatie
■ (Aantal nieuwe ziektegevallen in periode P / personen . tijd ‘at risk’
(=persoonstijd at risk))
■ Eenheid: tijd-1 / per jaar
■ Altijd follow-up periode P specificeren in
“personen . tijd”
■ Volledige follow-up van alle leden van de populatie
is niet vereist.
■ Interpretatie: gemiddelde snelheid waarmee ziekte
zich ontwikkeld
■ Bv. 10 mensen gedurende 6 jaar: berekend per
persoon de persoonstijd (p.t), deze tel je bij
elkaar op (bv. 44 jaar). # mensen krijgen de
ziekte → = 0,07 jr-1
● Bv. persoonstijd van een persoon die na
3 jaar de ziekte krijgt / overlijdt → 1 . 3
= 3 jaar
● Bv persoonstijd van een persoon die na
3 jaar de ziekte krijgt en na een jaar
weer beter is (dus weer 2 jaar at risk
is) → 1 . 5 = 5 jaar
■ Bij gesloten populatie: in een periode van 6
jaar met 10 personen had 1 persoon de
ziekte wel al en 4 personen hebben in de
periode de ziekte gekregen. Persoonsjaren =
41 jaar → ID = = 0,10 jr-1
Frequentiemaaten voor beschrijving van sterfte (mortaliteit)
→ Bv. 715 bewoners, waarvan er 60 dementie hebben. In totaal zijn er in 1 jaar tijd
180 mensen overleden, waarvan 40 aan dementie
● Brutosterftecijfers
○ Incidentie van overlijden in bepaalde periode
○ (N aantal sterfgevallen in bepaalde periode) / (Totale populatie at risk)
● (Oorzaak)Specifiek sterftecijfer
○ Incidentie van sterfte aan de aandoening
○ (N aantal sterfgevallen aan de aandoening) / (Totale populatie at risk)
○ voorbeeld: 40/715 . 100%
● Proportioneel sterftecijfer
, ○ Deel van alle sterfgevallen in de population at risk ten gevolge van een
bepaalde aandoening
○ (N aantal sterfgevallen door een aandoening) / (N aantal sterfgevallen
populatie at risk)
○ voorbeeld: 40/180 . 100% = 22,2%
● Letaliteitspercentage (case-fatality rate)
○ % sterfte aan een aandoening binnen bepaalde periode
○ (N aantal sterfgevallen door een aandoening) / (N aantal incidente patiënten
met deze aandoening)