= ontwikkeling van trombocyten (= bloedplaatjes)
Bloedplaatjes komen voor van de megakaryocyten (= voorlopers van
de bloedplaatjes in het beenmerg)
Trombopoiese wordt geregeld via trombopoietine
Te lage plaatjes in het bloed (trombopenie), induceert
trombopoietine dat vervolgens de endomitose verhoogt in de
megakaryocyten
Cytokines: stamcel factor, IL-3, IL-6, IL-3, GM-CSF
De eerste zichtbare cel = promegakaryoblast → cel ter grootte van een lymfocyt en die voorbestemd is voor
endomitose
ENDOMITOSE:
Promegakaryoblast kan uitrijpen in polyploïde megakaryocyten door endomitose
= de kern gaat delen zonder dat de cel deelt
Er ontstaan 2n kernen = polyploïde cellen. Kernlobben zijn verbonden door
chromatinedraden
Endomitose begint wanneer de mitose van de megakaryocyt stopt en het gaat vooral om
eerder uitgerijpte megakaryocyten
Bloedplaatjes komen enkel voort van >8N ploïde megakaryocyten
CYTOPLAMSA-UITRIJPING:
Synthese van specifieke proteïnen (glycoproteïnen) en organellen en ontwikkeling van het
demarcatiemembraan systeem, dat uiteindelijk het plaatjesmembraan zal vormen
GPIIb/IIa = belangrijke glycoproteïnen-complex met functie de binding van fibrinogeen
GPIb/IX = receptor voor de Von Willebrandfactor
Verder ontwikkelen zich verschillende granulen, waarvan de inhoud belangrijke rol speelt in de
plaatjesaggregatie
PLAATJESPRODUCTIE:
1 megakaryocyt → 1000 à 5000 plaatjes
Voordat plaatjes worden afgesplitst ontstaan er kange cytoplasmatische uitlopers (==
proplatelet process)
Plaatjes hangen in lange kettingen aan elkaar en breken 1 voor 1 af en komen vrij
(2/3 in bloed; 1/3 in milt)
BLOEDPLAATJES: MORFOLOGIE:
Bloedplaatjes = kleine cellen zonder kern, die in staat zijn te adhereren aan beschadigde bloedvaten. Ze
kunnen met elkaar aggregeren en zijn in staat trombine te genereren
Leidt tot propvorming en versteviging doordat trombine fribrinogeen kan omzetten in fibrine
Kwalitatieve en/of kwantitatieve veranderingen in plaatjes kan leiden tot hemorrhagiën (bloedingen) → bij
ongecontrolleerde trombusvorming kan er obstructie van de bloedvaten optreden met ischemie
(zuurstoftekort) als gevolg → gevolg: hartinfarct, beroerte, …
, BP kleine cellen met biconvexe vorm, bevatten geen kern
Granulair cytoplasma omgeven door membraan
Diameter: 1.5-2.5µ
Volume: 8-10 fL
In MGG-kleuring: ovaal-ronde, kleine blauw-grijze lichaampjes
met verschillende purper-rode granules
RW: 150.000 – 400.000 trombocyten/µL
ULTRASTRUCTUUR: plamsamembraan:
Bestaat uit bilayer van fosfolipiden (waarin cholesterol, glycolipiden en glycoproteïnen)
Fosfatidylcholine en sfingomyeline zijn belangrijkste fosfolipiden thv plasmazone (bloed)
Fosfatidylinositol, Fosfatidylethanolamine en Fosfatidylserine predomineren aan binnenzijde van membraan
Fosfatidylinositol →belangrijke rol bij plaatjesactivatie omdat het dan omgezet wordt via een aantal
tussenmetabolieten tot Tromboxaan A2 (TXA2)
Fosfatidylethanolamine → belangrijk platform aan het oppervlak van plaatjes waar stollingsfactoren
van secundaire hemostase worden geactiveerd → tijdens dit proces ‘flipt’ Fosfatidylethanolamine
naar de buitenzijde van het membraan
Cholesterol → controlerende en stabiliserende functie
Glycoproteïnen → dragermolecule voor oligosacchariden, glycolipiden, …
Het oppervlak van de plaatjes (= Glycocalyx) kan moleculen zoals fibrinogeen en albumine absorberen, die
naar de opslagorganellen kunnen getransporteerd worden
Het plasmamembraan is semipermeabel en heeft belangrijke functie in de interactie met de buitenwereld.