Leren onderwijzen
Doelstellingen
Opstellen van lesdoelen en leerinhoud
Formuleer voor onderstaande onderwijsleersituaties de lesdoelen en maak de analyse van
de leerinhoud. Voor de les lichamelijke opvoeding moeten enkel de lesdoelen geformuleerd
worden.
1. Mens en maatschappij (domein ruimte) verkeer: de straat oversteken
In de les verkeer leren de leerlingen op een veilige manier een rechte straat oversteken. De
leerkracht doet dit terwijl de leerlingen op leerwandeling naar het bos gaan. Om daar te
geraken moeten ze namelijk enkele keren een rechte straat oversteken. Op de meeste
plaatsen is er een zebrapad, maar niet overal.
Lesdoelen:
De leerlingen steken op een veilige manier een rechte straat zonder zebrapad over.
De leerlingen houden zich aan de verkeersregels.
De leerlingen gedragen zich op een veilige manier in het verkeer
Inhoudsanalyse
Feiten:
o om de straat veilig over te steken 1) stop ik aan de stoeprand. 2) Kijk ik naar
links, naar rechts en opnieuw naar rechts. 3) Ik steek over wanneer er geen
verkeer aankomt. 4) Kijk ik tijdens het oversteken nog naar rechts en 5) loop
ik aan de overkant verder op de stoep/het voetpad.
o Wanneer er geen zebrapad is, steek ik de straat recht over.
Begrippen:
o Het zebrapad: de veilige oversteekplaats voor voetgangers, aangeduid door
witten strepen op de weg.
o Het voetpad: het verharde pad naast de autoweg waar voetgangers mogen
stappen.
o Links
o Rechts
Relaties
o Zebrapad – oversteekplaats
o Voetganger – voetpad
o Voetganger – andere weggebruikers
Structuren
o Het verkeersreglement
o De verkeerssituatie
Vaardigheden
o Straat oversteken
o Verkeerssituatie inschatten
Attitudes
o Rekeninghouden met veiligheid
o Zich aan de verkeersregels willen houden
, Leren onderwijzen
Doelstellingen
2. Wiskunde: de meter
De leerkracht brengt in het 1e leerjaar ‘de meter’ aan. De les vindt grotendeels op de
speelplaats plaats. Daar begint de leerkracht de les door te vertellen dat er een schat
verborgen ligt op 6 armlengten van de voetbalgoal. Wanneer de leerlingen deze schat
zoeken vinden ze hem niet, wanneer de leerkracht het demonstreert lukt het wel want zijn
armen zijn natuurlijk langer. Aan de hand van deze activerende introductie toont de
leerkracht aan waarom het van belang is om met standaardmaten te werken. Hierna
introduceert de leerkracht de meter. Hij laat de lat zien en tekent 1m op de grond. Hij legt ook
uit dat 1 meter afgekort wordt als 1m. Hij toont enkele voorwerpen (bv stroken, takken,
touwen…) die exact 1m lang zijn. Daarna is het aan de leerlingen om op zoek te gaan naar
voorwerpen waarvan ze denken dat die ongeveer 1m lang zijn. Vervolgens meten ze deze
en vergelijken ze de lengte van het voorwerp: is het voorwerp even lang (=), langer (>) of
korter (<) dan één meter? Ze noteren dit op een blad/wisbordje. Voorwerpen die 1m lang zijn
worden gefotografeerd met de ipad. Achteraf krijgen deze foto’s een plaats in de klas onder
de noemer ‘1m’.
Lesdoelen
De leerlingen kunnen uitleggen wat het belang is van het werken met
standaardmaten.
De leerlingen meten verschillende aspecten (hoogte, breedte, dikte,…) van
verschillende voorwerpen met behulp van een meetinstrument van 1m.
De leerlingen schatten de lengte van alledaagse voorwerpen in verhouding tot 1m.
Na vergelijking van verschillende aspecten van voorwerpen, verwoorden leerlingen of
dit even lang(=), korter (<) of langer (>) is dan 1m
de leerlingen gebruiken 1m als afkorting voor 1 meter./ de leerlingen verwoorden dat
1 meter wordt gebruikt afgekort als 1m
Inhoudsanalyse
Feiten
o 1 meter = 1 m
o De meter wordt gebruikt om lengtes te meten
o De meter is een lengtemaat
o Vaste, afgesproken lengtematen maken het meten van voorwerpen
gemakkelijker
Begrippen
o De meter: een vaste afstand, even groot als de meetlat in de klas.
o De lengte: hoe lang iets is, de afstand van de lange kant van een voorwerp
o De standaardmaat: de afgesproken maateenheid
Relaties
o Schatten – meten
o = - even lang
o < - kleiner dan
o > - groter dan
Structuren
o Metriek stelsel voor lengtematen (SI-stelsel)
o De meter
Vaardigheden
Doelstellingen
Opstellen van lesdoelen en leerinhoud
Formuleer voor onderstaande onderwijsleersituaties de lesdoelen en maak de analyse van
de leerinhoud. Voor de les lichamelijke opvoeding moeten enkel de lesdoelen geformuleerd
worden.
1. Mens en maatschappij (domein ruimte) verkeer: de straat oversteken
In de les verkeer leren de leerlingen op een veilige manier een rechte straat oversteken. De
leerkracht doet dit terwijl de leerlingen op leerwandeling naar het bos gaan. Om daar te
geraken moeten ze namelijk enkele keren een rechte straat oversteken. Op de meeste
plaatsen is er een zebrapad, maar niet overal.
Lesdoelen:
De leerlingen steken op een veilige manier een rechte straat zonder zebrapad over.
De leerlingen houden zich aan de verkeersregels.
De leerlingen gedragen zich op een veilige manier in het verkeer
Inhoudsanalyse
Feiten:
o om de straat veilig over te steken 1) stop ik aan de stoeprand. 2) Kijk ik naar
links, naar rechts en opnieuw naar rechts. 3) Ik steek over wanneer er geen
verkeer aankomt. 4) Kijk ik tijdens het oversteken nog naar rechts en 5) loop
ik aan de overkant verder op de stoep/het voetpad.
o Wanneer er geen zebrapad is, steek ik de straat recht over.
Begrippen:
o Het zebrapad: de veilige oversteekplaats voor voetgangers, aangeduid door
witten strepen op de weg.
o Het voetpad: het verharde pad naast de autoweg waar voetgangers mogen
stappen.
o Links
o Rechts
Relaties
o Zebrapad – oversteekplaats
o Voetganger – voetpad
o Voetganger – andere weggebruikers
Structuren
o Het verkeersreglement
o De verkeerssituatie
Vaardigheden
o Straat oversteken
o Verkeerssituatie inschatten
Attitudes
o Rekeninghouden met veiligheid
o Zich aan de verkeersregels willen houden
, Leren onderwijzen
Doelstellingen
2. Wiskunde: de meter
De leerkracht brengt in het 1e leerjaar ‘de meter’ aan. De les vindt grotendeels op de
speelplaats plaats. Daar begint de leerkracht de les door te vertellen dat er een schat
verborgen ligt op 6 armlengten van de voetbalgoal. Wanneer de leerlingen deze schat
zoeken vinden ze hem niet, wanneer de leerkracht het demonstreert lukt het wel want zijn
armen zijn natuurlijk langer. Aan de hand van deze activerende introductie toont de
leerkracht aan waarom het van belang is om met standaardmaten te werken. Hierna
introduceert de leerkracht de meter. Hij laat de lat zien en tekent 1m op de grond. Hij legt ook
uit dat 1 meter afgekort wordt als 1m. Hij toont enkele voorwerpen (bv stroken, takken,
touwen…) die exact 1m lang zijn. Daarna is het aan de leerlingen om op zoek te gaan naar
voorwerpen waarvan ze denken dat die ongeveer 1m lang zijn. Vervolgens meten ze deze
en vergelijken ze de lengte van het voorwerp: is het voorwerp even lang (=), langer (>) of
korter (<) dan één meter? Ze noteren dit op een blad/wisbordje. Voorwerpen die 1m lang zijn
worden gefotografeerd met de ipad. Achteraf krijgen deze foto’s een plaats in de klas onder
de noemer ‘1m’.
Lesdoelen
De leerlingen kunnen uitleggen wat het belang is van het werken met
standaardmaten.
De leerlingen meten verschillende aspecten (hoogte, breedte, dikte,…) van
verschillende voorwerpen met behulp van een meetinstrument van 1m.
De leerlingen schatten de lengte van alledaagse voorwerpen in verhouding tot 1m.
Na vergelijking van verschillende aspecten van voorwerpen, verwoorden leerlingen of
dit even lang(=), korter (<) of langer (>) is dan 1m
de leerlingen gebruiken 1m als afkorting voor 1 meter./ de leerlingen verwoorden dat
1 meter wordt gebruikt afgekort als 1m
Inhoudsanalyse
Feiten
o 1 meter = 1 m
o De meter wordt gebruikt om lengtes te meten
o De meter is een lengtemaat
o Vaste, afgesproken lengtematen maken het meten van voorwerpen
gemakkelijker
Begrippen
o De meter: een vaste afstand, even groot als de meetlat in de klas.
o De lengte: hoe lang iets is, de afstand van de lange kant van een voorwerp
o De standaardmaat: de afgesproken maateenheid
Relaties
o Schatten – meten
o = - even lang
o < - kleiner dan
o > - groter dan
Structuren
o Metriek stelsel voor lengtematen (SI-stelsel)
o De meter
Vaardigheden