Maatschappijleer Parlementaire democratie
1.1
Maatschappelijk probleem:
- Het probleem gaat meerdere groepen aan
- Het probleem hangt samen met of het gevolg is van een maatschappelijke verandering
- Het probleem kan verschillen van meningen veroorzaken door over aanpak of oorzaak
- Het probleem heeft een gemeenschappelijke oplossing nodig. De betrokkenen zullen
samen een oplossing moeten vinden.
Politiek probleem = zodra de politiek zich bemoeit met een maatschappelijk probleem.
Waarden = zaken die je belangrijk vindt, wat is goed en wat is fout.
------ bijv. rechtvaardigheid, beleefdheid, eerlijkheid, gezondheid en gelijkheid.
Normen = regels die invulling geven aan de waarden. Vertaald in wetten en regels.
------ bijv. waarde = respect - norm = je gedraagt je netjes tegenover de scheidsrechter – regel =
je krijgt ‘geel’ als je de scheidsrechter aanraakt.
Belangen = waar jij voordeel uit haalt
Kenmerken van een staat:
- Beschikt over een omgrensd grondgebied
- Het grondgebied is bewoond door een volk
- De overheid heeft de hoogste macht, de soevereiniteit over dat gebied en de bevolking
- Geweldsmonopolie speelt een rol (bij bepaalde voorwaarden geweld mogen gebruiken)
Politiek = het beleid van de overheid, de totstandkoming van dat beleid en de effecten ervan.
De politiek weegt de belangen en opvattingen van de verschillende actoren tegen elkaar af,
voordat deze tot een besluit komt.
Macht = geeft een persoon of een organisatie het vermogen om iets gedaan te krijgen, om invloed
uit te oefenen.
Invloed = resultaat van het gebruiken van macht.
Machtsbases = factoren waarop macht is gebaseerd, zoals functie, kennis en ervaring.
Gezag = gelegitimeerde macht, die door anderen erkend en aanvaard worden.
Verantwoordelijkheden van de overheid:
- Orde en veiligheid
- Het welzijn van de bevolking
- Infrastructuur
- Verdeling van de goederen
- Politiek belang (rekening houden met actoren)
, 1.2
Referendum = volksstemming, via stembussen je mening over een voorstel van de overheid
anoniem uitbrengen.
Dictatuur = een land waar de bevolking geen invloed heeft op het beleid van de overheid. Zoals
Noord-Korea en Iran.
- Een persoon/partij/familie heeft de macht
- Er zijn geen of valse verkiezingen
- Het kritiek hebben op de overheid is verboden
- Geen grondrechten
Democratie
- Het volk heeft inspraak over het beleid van de overheid.
- Er zijn vrije en geheime verkiezingen - referendum
- Heeft grondrechten, zoals vrijheid van godsdienste, -meningsuiting en -vereniging en
vergadering. Hierin wordt ook de staatsinrichting vastgelegd.
- Er is een onafhankelijke rechterlijke macht, die geen verantwoording over de overheid
hoeft af te leggen.
Indirecte democratie = vertegenwoordigers die namens ons beslissingen nemen.
Parlement = vertegenwoordigers die de bestuurders op landelijk niveau controleren en samen
met hun de wetten maken. Bestuurders moeten een verantwoording afleggen aan de kamer.
Vertrouwensregel = bestuurders moeten het vertrouwen van de meerderheid van de kamer. Is
dit niet het geval dan zal de bestuurder af moeten treden.
Gedecentraliseerde eenheidstaat = staat waarbinnen de landelijke overheid bepaalde
bevoegdheden aan lagere organen heeft overgedragen.
Tweede kamer
- Elke 4 jaar verkiezingen
- 150 zetels/leden
- Fractie: alle leden in de kamer van dezelfde politieke partij
- Vertegenwoordigers van het volk
- Controle op regeringsbeleid
- Medewetgevers
Eerste kamer
- Elke 4 jaar gekozen door de provinciale staten
- 75 leden
- De eerste kamer controleert het wetsvoorstel
Kabinet/regering
- Kabinet = ministers + staatssecretaris
- Regering = staatshoofd + ministers
1.1
Maatschappelijk probleem:
- Het probleem gaat meerdere groepen aan
- Het probleem hangt samen met of het gevolg is van een maatschappelijke verandering
- Het probleem kan verschillen van meningen veroorzaken door over aanpak of oorzaak
- Het probleem heeft een gemeenschappelijke oplossing nodig. De betrokkenen zullen
samen een oplossing moeten vinden.
Politiek probleem = zodra de politiek zich bemoeit met een maatschappelijk probleem.
Waarden = zaken die je belangrijk vindt, wat is goed en wat is fout.
------ bijv. rechtvaardigheid, beleefdheid, eerlijkheid, gezondheid en gelijkheid.
Normen = regels die invulling geven aan de waarden. Vertaald in wetten en regels.
------ bijv. waarde = respect - norm = je gedraagt je netjes tegenover de scheidsrechter – regel =
je krijgt ‘geel’ als je de scheidsrechter aanraakt.
Belangen = waar jij voordeel uit haalt
Kenmerken van een staat:
- Beschikt over een omgrensd grondgebied
- Het grondgebied is bewoond door een volk
- De overheid heeft de hoogste macht, de soevereiniteit over dat gebied en de bevolking
- Geweldsmonopolie speelt een rol (bij bepaalde voorwaarden geweld mogen gebruiken)
Politiek = het beleid van de overheid, de totstandkoming van dat beleid en de effecten ervan.
De politiek weegt de belangen en opvattingen van de verschillende actoren tegen elkaar af,
voordat deze tot een besluit komt.
Macht = geeft een persoon of een organisatie het vermogen om iets gedaan te krijgen, om invloed
uit te oefenen.
Invloed = resultaat van het gebruiken van macht.
Machtsbases = factoren waarop macht is gebaseerd, zoals functie, kennis en ervaring.
Gezag = gelegitimeerde macht, die door anderen erkend en aanvaard worden.
Verantwoordelijkheden van de overheid:
- Orde en veiligheid
- Het welzijn van de bevolking
- Infrastructuur
- Verdeling van de goederen
- Politiek belang (rekening houden met actoren)
, 1.2
Referendum = volksstemming, via stembussen je mening over een voorstel van de overheid
anoniem uitbrengen.
Dictatuur = een land waar de bevolking geen invloed heeft op het beleid van de overheid. Zoals
Noord-Korea en Iran.
- Een persoon/partij/familie heeft de macht
- Er zijn geen of valse verkiezingen
- Het kritiek hebben op de overheid is verboden
- Geen grondrechten
Democratie
- Het volk heeft inspraak over het beleid van de overheid.
- Er zijn vrije en geheime verkiezingen - referendum
- Heeft grondrechten, zoals vrijheid van godsdienste, -meningsuiting en -vereniging en
vergadering. Hierin wordt ook de staatsinrichting vastgelegd.
- Er is een onafhankelijke rechterlijke macht, die geen verantwoording over de overheid
hoeft af te leggen.
Indirecte democratie = vertegenwoordigers die namens ons beslissingen nemen.
Parlement = vertegenwoordigers die de bestuurders op landelijk niveau controleren en samen
met hun de wetten maken. Bestuurders moeten een verantwoording afleggen aan de kamer.
Vertrouwensregel = bestuurders moeten het vertrouwen van de meerderheid van de kamer. Is
dit niet het geval dan zal de bestuurder af moeten treden.
Gedecentraliseerde eenheidstaat = staat waarbinnen de landelijke overheid bepaalde
bevoegdheden aan lagere organen heeft overgedragen.
Tweede kamer
- Elke 4 jaar verkiezingen
- 150 zetels/leden
- Fractie: alle leden in de kamer van dezelfde politieke partij
- Vertegenwoordigers van het volk
- Controle op regeringsbeleid
- Medewetgevers
Eerste kamer
- Elke 4 jaar gekozen door de provinciale staten
- 75 leden
- De eerste kamer controleert het wetsvoorstel
Kabinet/regering
- Kabinet = ministers + staatssecretaris
- Regering = staatshoofd + ministers