CURSUSINHOUD
1. Wie betaalt gezondheidszorg? (pagina 1)
1.1. Inleiding (pagina 1)
Uitgaven gezondheidszorg: stevige hap uit overheidsbudget uitgebreide sociale bescherming.
Van elke €100 die een Belgische beslatingsbetaler betaalt, gaat €14.2 naar gezondheidszorg.
Mantelzorg = bevoegdheid van gemeenschappen en dus ook Vlaamse Overheid maar er is geen apart
budget voor. Wel 6 mantelzorgverenigingen die jaarlijks subsidie ontvangen.
1.2. Het solidariteitsprincipe (pagina 1-2)
De grote uitdaging is om de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van onze zorg te
behouden.
2 systemen in sociaal beschemingssysteem:
- Klassieke sectoren van sociale zekerheid met 7 takken (9 voor zelfstandigen)
- Sociale bijstand of residuaire regelingen met 4 takken
Klassieke sociale zekerheidsstelsel bevat 3 stelsels:
- Stelsel voor werknemers, ook voor contractuele of niet-statutaire ambtenaren
- Stelsel voor zelfstandigen
- Stelsel voor ambtenaren
1.3. Het belang van de sociale zekerheid (pagina 2-3)
Centrale begrip sociale zekerheidssysteem = solidariteit.
Solidariteit is gewaarborgd door:
- Bijdragen werkende mensen in verhouding tot loon
- Financiering grotendeels door iedereen samen
- Vakbonden, ziekenfondsen en werkgeversorganisaties beslissen mee over systeem
Sociale zekerheid zorgt voor 3 zaken:
- Vervangingsinkomen bij loonverlies
- Aanvulling op het inkomen wanneer je sociale lasten moet dragen
- Bijstandsuitkeringen
1.4. Ontwikkeling van het sociale zekerheidsstelsel (pagina 3-5)
1ste industriële revolutie + ontstaan kapitalisme armoede = samenlevingsprobleem + ontstaan
risico’s gebonden aan arbeid oprichting Burgerlijke Godshuizen, Burelen van Weldadigheid
(voorlopers OCMW) en Maatschappijen voor Onderlinge Bijstand (voorlopers mutualiteiten).
Vanaf 1891 (na enorme crisis): overheid subsidieert mutualiteiten positieve effecten zoals meer
efficiëntie maar nog steeds op vrijwillige basis.
1ste verplichte verzekering = verzekering tegen arbeidsongevallen. Tussen 2 Wereldoorlogen:
uitbreiding verplichting + gewaarborgd inkomen voor personen met een handicap.
1
, 3V Kwaliteitszorg: Gezondheidseconomie (Kristof Faes)
1944: Sociaal Pact wordt ondertekend door werknemerssyndicaten, werkgeversorganisaties en enkel
hoge functionarissen en steunt op 2 pijlers:
- Sociale vrede tussen werknemers- en werkgeversorganisaties
- Solidariteitsgedachte
Vernieuwingen sociaal pact:
- Alle sociale verzekeringen verplicht
- Uitkeringen omhoog
- Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid = centraal orgaan
- Sociale zekerheid werd paritair beheerd
Sociaal pact geldt enkel voor werknemers en niet voor zelfstandigen.
1967: Sociaal statuut van de zelfstandige.
Naoorlogse periode gekenmerkt door economische expansie sterke uitbreiding sociaal
zekerheidssysteem: richten nieuwe sociale categorieën op + positieve veranderingen in bestaande
prestaties.
Sociaal zekerheidssysteem: van gewone verzekering tegen sociale risico’s waarborg voor
bestaanszekerheid voor iedereen.
Economische crisis 1970: werkloosheid stijgt aantal rechthebbende neemt toe moeilijk kosten
van sociale zekerheid onder controle te houden oplossing: inkomsten verhogen en sociale
uitkering verlagen.
Einde 20ste eeuw: werkgeversbijdrage wordt sterk verlaagd en vervangen door alternatieve
financieringsbronnen om concurrentievermogen te verhogen + minimumpensioen opgetrokken +
wijziging wetgeving over leefloon en inkomensgarantie.
2009: gelijke pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen.
2011: hervorming van sociale zekerheid om onkosten in pensioen- en werkloosheidssector terug te
schroeven.
1.5. Ideologische achtergrond (pagina 5)
2 belangrijke grondleggers: Bismarck en Beveridge.
Bismarck: financiering sociaal zekerheidssysteem wordt gedragen door werknemers en werkgevers
met een staatsbijdrage voor de pensioenen + uitkeringen zijn aan loon gekoppeld = solidariteit onder
de werkenden.
Beveridge: vindt dat totale bevolking recht heeft op bestaanszekerheid belastingen voorzien in
eenzelfde forfaitaire uitkering voor elke burger.
Belgisch systeem: kenmerken van de 2.
1.6. Organisatie (pagina 6)
Onderscheid tussen 3 stelsels:
- Werknemersstelsel: RSZ = overkoepelede instelling met daaronder meerdere takken met elk
hun eigen taak: RVA, FPD, RIZIV, FEDRIS, RJV, FAMIFED
2