H2: De institutionele architectuur van de EU
2.1
In dit hoofdstuk hoe het besluitvormingsproces van de Europese unie in elkaar
zit.
2.2
Bij intergouvermentele besluitvorming hebben de regeringen de touwtjes in
handen, zij nemen de beslissingen en zijn verantwoordelijk voor de uitvoering
hiervan. Bij ‘zuiver’ intergouvermentalisme heeft elke regering het recht op
veto.
Bij supranationalisme wordt de rol van regeringen beperkt door de inbreng van
instellingen die niet tot een bepaald land behoren. De leden van deze
instellingen vertegenwoordigen geen land, maar alleen de instelling.
Tot 1987 was unanimiteit de gebruikelijke procedure in de Raad. Deze heeft als
voordeel dat een regering een besluit altijd kan tegenhouden door veto uit te
spreken. Een nadeel hiervan is dat er weinig vaart zit het maken van
beslissingen.
In 1987 besloten de regeringen het EEG-verdrag te veranderen en vaker met
gekwalificeerde meerderheid te stemmen. Deze verandering betekent meer
supranationalisme, want een regering heeft geen veto meer, behalve op het
gebied van belastingen en defensie.
In de EU is er sprake van een combinatie van intergouvermentalisme en
supranationalisme, en is daarom een systeem van multi-level governance.
2.3
Volgens artikel 288 van het verdrag betreffende de werking van de Europese
Unie kunnen de volgende soorten besluiten worden genomen:
1. Een verordening: algemene strekking, bindend en rechtstreeks
toepasbaar
2. Een richtlijn: bindend qua resultaat, middel en vorm is vrij
3. Een besluit: bindend tegenover wie het is gericht
4. Aanbevelingen en adviezen: niet bindend
Het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) heeft een
eigen soort besluit. Hier is sprake van algemene richtsnoeren. Bij deze
2.1
In dit hoofdstuk hoe het besluitvormingsproces van de Europese unie in elkaar
zit.
2.2
Bij intergouvermentele besluitvorming hebben de regeringen de touwtjes in
handen, zij nemen de beslissingen en zijn verantwoordelijk voor de uitvoering
hiervan. Bij ‘zuiver’ intergouvermentalisme heeft elke regering het recht op
veto.
Bij supranationalisme wordt de rol van regeringen beperkt door de inbreng van
instellingen die niet tot een bepaald land behoren. De leden van deze
instellingen vertegenwoordigen geen land, maar alleen de instelling.
Tot 1987 was unanimiteit de gebruikelijke procedure in de Raad. Deze heeft als
voordeel dat een regering een besluit altijd kan tegenhouden door veto uit te
spreken. Een nadeel hiervan is dat er weinig vaart zit het maken van
beslissingen.
In 1987 besloten de regeringen het EEG-verdrag te veranderen en vaker met
gekwalificeerde meerderheid te stemmen. Deze verandering betekent meer
supranationalisme, want een regering heeft geen veto meer, behalve op het
gebied van belastingen en defensie.
In de EU is er sprake van een combinatie van intergouvermentalisme en
supranationalisme, en is daarom een systeem van multi-level governance.
2.3
Volgens artikel 288 van het verdrag betreffende de werking van de Europese
Unie kunnen de volgende soorten besluiten worden genomen:
1. Een verordening: algemene strekking, bindend en rechtstreeks
toepasbaar
2. Een richtlijn: bindend qua resultaat, middel en vorm is vrij
3. Een besluit: bindend tegenover wie het is gericht
4. Aanbevelingen en adviezen: niet bindend
Het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) heeft een
eigen soort besluit. Hier is sprake van algemene richtsnoeren. Bij deze