résume sociologie module 1 – Een eerste kennismaking
• soc. verbeelding; verband tussen individu & samenleving, koppelt persoonlijke
problemen → maatschappelijke structuren, waar historische & soc. context
(industrialisering, urbanisatie) van belang z’n.
= zorgen → kritische afstandelijke blik op vanzelfsprekendheden…
• gedrag; elke (re)actie van individu = obj. & subj. waarneembare component.
objectief: externe component → ego & alter
subjectief: interne component →
1- motivationele; vb. wat je écht wilt, zoals snoepjes krijgen
2- emotionele; vb. gevoelens diep vanbinnen, zoals bang zijn
3- cognitieve; vb. wat je denkt over de wereld, zoals "dat is groot"
4- reflexieve; vb. hoe je over jezelf denkt, zoals "ik ben slim"
• sociaal handelen; gedrag met nadrukkelijke doelgerichtheid rekening houdend
met anderen
(Weber):
instrumenteel → richt zich op doelrealisatie & efficiëntie
waarde rationeel → vanuit intrinsieke waarden vb. religie/ethiek
affectief, gedreven → emoties
traditioneel → uit gewoontes/tradities, zonder veel reflectie + onzekerheid ‘stoppen,
denken & kiezen’ principe
• sociale interactie; wanneer mensen betekenis toekennen aan elkaars
handelingen, ‘opdat-omdat’ motieven (doel & baten)
verschillende vormen;
conformiteit → vb. iedereen staat in de conflict → onvermijdelijk – schaarste &
rij, dus jij ook verschil in waarden vb. ruzie om
speelgoed
samenwerkend → vb. samen een toren ruil → wederkerigheid & balans – kosten
bouwen met blokken & baten vb. jij geeft de bal, ik geef auto
cultuur & structuur ; ontstaan uit gestolde interacties, ≠ statisch , maar veranderen
traag → soc. interacties
(contextuele factoren):
demografisch → vb. meer baby’s in de materieel → vb. nieuwe fiets, dus sneller
buurt, dus drukker op school naar vrienden toe fietsen
ecologisch → vb. schone rivier, dus technologisch → vb. tablet om te
vissen & veilig spelen videobellen met oma & opa
• soc. verbeelding; verband tussen individu & samenleving, koppelt persoonlijke
problemen → maatschappelijke structuren, waar historische & soc. context
(industrialisering, urbanisatie) van belang z’n.
= zorgen → kritische afstandelijke blik op vanzelfsprekendheden…
• gedrag; elke (re)actie van individu = obj. & subj. waarneembare component.
objectief: externe component → ego & alter
subjectief: interne component →
1- motivationele; vb. wat je écht wilt, zoals snoepjes krijgen
2- emotionele; vb. gevoelens diep vanbinnen, zoals bang zijn
3- cognitieve; vb. wat je denkt over de wereld, zoals "dat is groot"
4- reflexieve; vb. hoe je over jezelf denkt, zoals "ik ben slim"
• sociaal handelen; gedrag met nadrukkelijke doelgerichtheid rekening houdend
met anderen
(Weber):
instrumenteel → richt zich op doelrealisatie & efficiëntie
waarde rationeel → vanuit intrinsieke waarden vb. religie/ethiek
affectief, gedreven → emoties
traditioneel → uit gewoontes/tradities, zonder veel reflectie + onzekerheid ‘stoppen,
denken & kiezen’ principe
• sociale interactie; wanneer mensen betekenis toekennen aan elkaars
handelingen, ‘opdat-omdat’ motieven (doel & baten)
verschillende vormen;
conformiteit → vb. iedereen staat in de conflict → onvermijdelijk – schaarste &
rij, dus jij ook verschil in waarden vb. ruzie om
speelgoed
samenwerkend → vb. samen een toren ruil → wederkerigheid & balans – kosten
bouwen met blokken & baten vb. jij geeft de bal, ik geef auto
cultuur & structuur ; ontstaan uit gestolde interacties, ≠ statisch , maar veranderen
traag → soc. interacties
(contextuele factoren):
demografisch → vb. meer baby’s in de materieel → vb. nieuwe fiets, dus sneller
buurt, dus drukker op school naar vrienden toe fietsen
ecologisch → vb. schone rivier, dus technologisch → vb. tablet om te
vissen & veilig spelen videobellen met oma & opa